![]() |
|
MINISTERIE VAN VERKEER EN INFRASTRUCTUUR
ADVIES NR. 24/97 VAN 11 SEPTEMBER 1997
VAN DE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING
VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER
Betreft : Ontwerp van koninklijk besluit betreffende het rijbewijs en ontwerp
van koninklijk besluit houdende de verplichting voor de gemeentebesturen aan de
Minister tot wiens bevoegdheid de wegveiligheid behoort, gegevens te
verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, via de
diensten van het Rijksregister van de natuurlijke personen
De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid
artikel 29;
Gelet op de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de
natuurlijke personen, inzonderheid artikel 6, gewijzigd bij de wet van 15
januari 1990;
Gelet op de adviesaanvraag van 18 juli 1997 van de Staatssecretaris voor de
Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu;
Gelet op het verslag van de heer C. Voet;
Brengt op 11 september 1997 het volgende advies uit :
I. Voorwerp van de adviesaanvraag :
1. De ontwerpen van koninklijke besluiten, die aan de Commissie voor de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor advies worden voorgelegd
strekken tot :
a) de oprichting van een centraal bestand rijbewijzen en scholingsdocumenten;
b) de verplichting voor de gemeentebesturen aan de Minister tot wiens
bevoegdheid de wegveiligheid behoort, gegevens te verstrekken betreffende het
rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, via de diensten van het
Rijksregister van de natuurlijke personen.
II. Onderzoek van de adviesaanvraag :
A. Oprichting van een centraal bestand
De Commissie maakt de volgende opmerkingen :
1. Artikel 74 van het ontwerp van koninklijk besluit voorziet de oprichting,
binnen het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur van een centraal bestand.
Het artikel 74 bevat een opgave van de gegevens die het bestand zal bevatten.
De Commissie maakt bezwaar daar waar volgens het artikel 74, 1° het centraal
bestand, naast de naam, voornamen, adres, land van verblijf, geboorteplaats en
-datum, geslacht, nationaliteit, NlS-code van de gemeente eveneens het
identificatienummer bij het Rijksregister wordt vermeld.
Er wordt daartoe geen enkele motivering verstrekt.
2. Artikel 77 bepaalt : « de gegevens bedoeld in artikel 74, 1° tot 6° worden
bewaard zonder tijdsbeperking. »
Worden dus ook bedoeld : « de gegevens betreffende het verval van het recht tot
sturen, van de herstelonderzoeken in het recht tot sturen van de maatregelen
die een einde stellen aan het verval van het recht tot sturen en van de
onmiddellijke intrekkingen. » (artikel 74, 3°)
Dit bewaren zonder tijdsbeperking is in strijd met het artikel 619 van het
Wetboek van Strafvordering inzake de uitwissing van veroordelingen.
Het artikel 619 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt inderdaad :
« Veroordelingen tot politiestraffen, veroordelingen tot correctionele
hoofdgevangenisstraffen van ten hoogste 6 maanden, veroordelingen tot
correctionele geldstraffen van ten hoogste 500 frank en tot geldstraffen,
ongeacht hun bedrag, opgelegd krachtens het koninklijk besluit
van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het
wegverkeer, worden uitgewist na verloop van drie jaar, vanaf de dag van de
rechterlijke eindbeslissing waarbij ze zijn uitgesproken.
Het vorig lid is niet van toepassing op veroordelingen die
vervallenverklaringen of ontzettingen inhouden waarvan de gevolgen zich over
meer dan drie jaar verstrekken, tenzij het gaat om veroordelingen die het
verval inhouden van het recht tot sturen wegens lichamelijke ongeschiktheid,
uitgesproken op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 maart
1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer.
»
Uitwissing van veroordelingen heeft de gevolgen van herstel in eer en rechten
en brengt mee dat de uitgewiste veroordeling niet meer mag worden vermeld o.m.
in het strafregister.
B. Verplichting van de gemeentebesturen.
1. Het ontwerp van koninklijk besluit voorziet de verplichting in hoofde van de
gemeentebesturen « door bemiddeling van het Rijksregister van de natuurlijke
personen, aan de Minister tot wiens bevoegdheid de wegveiligheid behoort of aan
zijn gemachtigde, de inlichtingen te verstrekken, bedoeld in artikel 58 van het
koninklijk besluit betreffende het rijbewijs, met uitzondering van 9°. »
Het betreft de gegevens die voorkomen op de inlichtingenfiche en de voorlopige
inlichtingenfiche, die de daartoe bevoegde overheid dient bij te houden.
De uitzondering van artikel 9 betreft de vervallenverklaringen van het recht
tot sturen bedoeld in artikel 66 van het ontwerp van koninklijk besluit
betreffende het rijbewijs.
2. De rechtsgrond van deze verplichting is terug te vinden in artikel 6 van de
wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke
personen.
3. De Commissie heeft geen bezwaar tegen de voorgestelde tekst.
De secretaris,
(get.) J. PAUL
De voorzitter,
(get.) P. THOMAS.
3 MAART 1998. - Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op het Internationaal Verdrag nopens het wegverkeer en bijlagen,
ondertekend te Genève op 19 september 1949, en op de Europese Overeenkomst
houdende aanvulling van het Verdrag nopens het wegverkeer en het Protocol
nopens de verkeerstekens van 1949, ondertekend te Genève op 16 september 1950,
beide goedgekeurd bij de wet van 1 april 1954;
Gelet op het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese
Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, inzonderheid op de artikelen
75 en 189;
Gelet op het Verdrag inzake het wegverkeer, en Bijlagen, opgemaakt te Wenen op
8 november 1968 en op de Europese Overeenkomst, en Bijlage tot aanvulling van
dit Verdrag, opgemaakt te Genève op 1 mei 1971, goedgekeurd bij de wet van 30 september
1988;
Gelet op de richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het
rijbewijs, gewijzigd door de richtlijnen van de Raad 96/47/EG van 23 juli 1996
en 97/26/EG van 2 juni 1997;
Gelet op de beschikking van de Commissie van 10 juli 1996 betreffende een
afwijking van de bepalingen van bijlage III van de richtlijn 91/439/ EEG van de
Raad;
Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,
ondertekend te Porto op 2 mei 1992 en goedgekeurd bij de wet van 18 maart 1993,
op het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, ondertekend te Brussel op 17 maart 1993 en goedgekeurd bij
de wet van 22 juli 1993, en op de beslissing van het gemengd Comité van de EER
nr 7/94 van 21 maart 1994 tot wijziging van het protocol 47 en bepaalde
bijlagen van het akkoord van de EER;
Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16
maart 1968, gewijzigd bij de wetten van 12 juli 1973, 9 juni 1975, 9 juli 1976,
14 juli 1976, het koninklijk besluit nr. 140 van 30 december 1982, de wetten
van 29 februari 1984, 21 juni 1985, 18 juli 1990, 20 juli 1991, 8 december 1992
en 4 augustus 1996;
Gelet op de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering
van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de
spoorweg of de waterweg, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1985, 21 juni 1985
en 28 juli 1987;
Gelet op de wet van 18 juli 1990 tot wijziging van de wet betreffende de
politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en van de wet van
21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer
te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen,
inzonderheid op artikel 39;
Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement
op de politie van het wegverkeer, inzonderheid op artikel 8, gewijzigd door de
koninklijke besluiten van 25 maart 1987 en 18 juli 1991 en artikel 59.2,
gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 september 1991 en 29 mei 1996;
Overwegende dat de Gewestregeringen zijn betrokken bij het ontwerpen van dit
besluit;
Gelet op het advies van de inspecteur van financiën van 29 oktober 1997;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting van 6 november 1997;
Gelet op het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer;
Gelet op het advies van de Commissie der Europese Gemeenschappen;
Gelet op het besluit van de Ministerraad van 7 november 1997 over de
adviesaanvraag binnen een termijn van een maand;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 14 januari 1998, met
toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de
Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van
Volksgezondheid, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van
Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van
Landsverdediging en Onze Staatssecretaris voor Veiligheid en op het advies van
Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
TITEL I. - Definities
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° « wet », de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op
16 maart 1968;
2° « Minister », de Minister tot wiens bevoegdheid de verkeersveiligheid
behoort;
3° « motorvoertuig », elk zichzelf over de weg voortbewegend voertuig uitgerust
met een motor anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen.
Worden niet beschouwd als motorvoertuig, rijwielen waaraan een elektrische
hulpmotor is bevestigd die slechts kan werken als de pedalen worden gebruikt en
waarvan het vermogen niet hoger mag zijn dan 0,3 kW;
4° « bromfiets » :
a) ofwel een « bromfiets klasse A », dit wil zeggen elk twee- of driewielig
voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de
cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3; bedraagt, of met een elektrische
motor en dat naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller
kan rijden dan 25 km per uur;
b) ofwel een « bromfiets klasse B », dit wil zeggen :
- elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige
verbranding en waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3
bedraagt, of met een elektrische motor en dat naar bouw en motorvermogen, op
een horizontale weg, niet sneller kan rijden dan 45 km per uur, met uitsluiting
van de bromfietsen klasse A;
- elk vierwielig voertuig uitgerust met een motor waarvan de cilinderinhoud ten
hoogste 50 cm3 bedraagt voor de motoren met elektrische ontsteking
of, voor de andere typen motoren, met een netto- maximumvermogen van ten
hoogste 4 kW en dat naar bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet
sneller kan rijden dan 45 km per uur.
De maximale lege massa van de driewielige bromfietsen is beperkt tot 270 kg;
deze van de vierwielige bromfietsen tot 350 kg; voor de elektrische voertuigen
geldt die massa evenwel zonder de batterijen;
5° « motorfiets », elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en
dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets;
6° « driewieler met motor », elk driewielig motorvoertuig dat niet beantwoordt
aan de bepaling van de bromfiets en waarvan de maximale ledige massa niet meer
dan 1.000 kg bedraagt;
7° « vierwieler met motor », elk vierwielig motorvoertuig, andere dan die welke
als bromfietsen worden beschouwd, met een lege massa van ten hoogste 400 kg of
550 kg voor voertuigen gebruikt voor het goederenvervoer en met een
netto-maximumvermogen van de motor van ten hoogste 15 kW. Voor de elektrische voertuigen
geldt die massa zonder de batterijen;
8° « auto », elk motorvoertuig, bromfietsen en motorrijwielen uitgezonderd, dat
gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de
weg, of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg
voort te trekken. Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen
die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op
spoorstaven; hij heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers;
9° « landbouw- en bosbouwtrekkers », elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden,
met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in
het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen
van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land-
of bosbouw zijn bestemd, en die slechts bijkomstig voor personen- of
goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of
goederenvervoer over de weg worden gebruikt;
10° « voertuig uitgerust met een automatische schakeling », elk voertuig
waarbij de overbrengingsverhouding tussen motor en wielen slechts door het
bedienen van het gas- en rempedaal wordt gewijzigd. Voertuigen met een
elektrische motor en voertuigen die uitgerust zijn met een koppeling die
functioneert zonder dat de bestuurder hoeft in te grijpen, meer bepaald
voertuigen met een half-automatische schakeling, worden daarmee gelijkgesteld;
11° « gewone verblijfplaats », de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat
wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke
en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen,
wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de
plaats waar hij woont.
De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een
andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op
verschillende plaatsen in twee of meer Staten verblijft, wordt evenwel geacht
zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op
voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde
vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een
andere Staat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een
school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst;
12° « rijschool », elke rijschool, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit
van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor
het besturen van motorvoertuigen;
13° « Europees rijbewijs », elk rijbewijs bedoeld bij artikel 23, ¢ 2, 1° van
de wet, afgegeven door een Lid-Staat van de Europese Unie of van de Europese
Economische Ruimte.
TITEL II. - Indeling van de motorvoertuigen in categorieën voor de toepassing
van de bepalingen betreffende het recht tot sturen
Art. 2. ¢ 1. Voor de toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen
betreffende het recht tot sturen, worden de motorvoertuigen ingedeeld in
categorieën :
1° Categorie A3 : bromfietsen.
Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden,
behalve als het gaat om een bromfiets met drie of vier wielen;
2° Categorie A : motorfietsen met of zonder zijspan.
Aan de voertuigen van deze categorie mag een aanhangwagen gekoppeld worden,
behalve aan een motorfiets met zijspan;
3° Categorie B :
- auto's met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3.500 kg en met ten
hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's
van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale
toegelaten massa van ten hoogste 750 kg;
- samenstellen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een
aanhangwagen, waarbij de maximale toegelaten massa van het samenstel niet meer
dat 3.500 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen niet
groter is dan de ledige massa van het trekkende voertuig.
De drie- en vierwielers met motor behoren eveneens tot deze categorie;
4° Categorie B+E :
samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B
en een aanhangwagen, waarvan het samenstel niet onder de categorie B valt;
5° Categorie C :
andere auto's dan die van categorie D, met een maximale toegelaten massa van
meer dan 3500 kg; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen worden
gekoppeld waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 750 kg bedraagt;
6° Categorie C+E :
samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C
en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;
7° Categorie D :
auto's bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht zitplaatsen, die van de
bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een
aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste
750 kg.
De voertuigen met vouwbalg omschreven in artikel 1, ¢ 2, 9 van het koninklijk
besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen
waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren
moeten voldoen, behoren eveneens tot deze categorie;
8° Categorie D+E :
samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D
en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg.
¢ 2. Binnen de categorieën C, C+E, D en D+E worden de volgende subcategorieën
gecreëerd :
1° Subcategorie C1 :
andere auto's dan die van categorie D, waarvan de maximale toegelaten massa
meer dan 3.500 kg, doch ten hoogste 7.500 kg bedraagt; aan de auto's van deze
subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten
massa van ten hoogste 750 kg;
2° Subcategorie C1+E :
samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van
subcategorie C1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer
dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel
ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de
aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt;
3° Subcategorie D1 :
auto's bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht doch niet meer dan
zestien zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van
deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale
toegelaten massa van ten hoogste 750 kg;
4° Subcategorie D1+E :
samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van
subcategorie D1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer
dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel
ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de
aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt en de
aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren.
¢ 3. Motorvoertuigen die rijden op de openbare weg en die niet behoren tot één
van de categorieën of subcategorieën gedefinieerd in de ¢¢ 1 en 2, zoals het
verrijdbare landbouw- of bedrijfsmaterieel, worden ingedeeld bij de categorie B
of C of de subcategorie C1 naargelang hun maximale toegelaten massa.
TITEL III. - Het rijbewijs
HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld
Art. 3. ¢ 1. Een Belgisch rijbewijs kunnen verkrijgen :
1° de personen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, in het
vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en die
houder zijn van een van de volgende in België afgegeven geldige documenten :
a) de identiteitskaart van Belg of voor vreemdeling;
b) het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
c) de verblijfskaart van onderdaan van een Lid-Staat van de Europese
Economische Gemeenschappen;
d) het attest van immatriculatie;
2° de personen die het bewijs leveren van hun inschrijving in een Belgische
onderwijsinstelling gedurende een periode van ten minste zes maanden en die
houder zijn van het geldige verblijfsdocument bedoeld in bijlage 33 van het
koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
3° de personen die houder zijn van een van de volgende in België afgegeven
geldige documenten :
a) de diplomatieke identiteitskaart;
b) de consulaire identiteitskaart;
c) de bijzondere identiteitskaart.
¢ 2. De personen bedoeld in ¢ 1, 1° mogen slechts een motorvoertuig besturen op
basis van een Belgisch rijbewijs of op basis van een onder de voorwaarden van
artikel 27, 2°, afgegeven Europees rijbewijs, geldig voor de categorie of de
subcategorie waartoe het voertuig behoort.
De overige bestuurders van motorvoertuigen moeten houder zijn van een Belgisch,
een Europees of een buitenlands rijbewijs, nationaal of internationaal, dat
afgegeven is onder de voorwaarden die inzake internationaal wegverkeer van
toepassing zijn en geldig is voor de categorie of subcategorie waartoe het
voertuig behoort. Die bestuurders dienen een zodanig rijbewijs bij zich te
hebben.
De bestuurders, houder van een Europees rijbewijs of van een nationaal of
internationaal buitenlands rijbewijs moeten de leeftijd bereikt hebben die
vereist is overeenkomstig de bepalingen van artikel 18 voor de afgifte van
rijbewijzen.
Art. 4. Zijn ontslagen van de verplichting houder te zijn van een rijbewijs en
het bij zich te hebben :
1° de bestuurders die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit het
praktische examen afleggen of met het oog daarop een scholing volgen.
Deze vrijstelling geldt eveneens wanneer zij zich naar het examencentrum
begeven om het examen af te leggen en ervan terugkeren voor :
a) de bestuurders die vervallenverklaard zijn van het recht tot sturen en die
het praktische examen moeten afleggen voorgeschreven in artikel 38 van de wet;
b) de houders van een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 5, ¢ 2, 2°;
2° de leerlingen van een rijschool die met bijstand van een instructeur een
voertuig besturen dat bestemd is voor het onderricht;
3° de kandidaten die deelnemen aan het praktische examen bepaald in artikel 48,
¢ 2, derde lid. Deze vrijstelling geldt tevens om zich naar het examencentrum
te begeven teneinde er examen af te leggen en ervan terug te keren;
4° de bestuurders van voertuigen van de categorie D of D+E en van de
subcategorie D1 of D1+E, in dienst van de ondernemingen voor openbaar vervoer,
die de opleiding volgen die door deze ondernemingen wordt verstrekt en waarvan
het programma door de Minister wordt goedgekeurd;
5° de kandidaten, die met het oog op het behalen van het rijbewijs geldig voor
de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, de
opleiding volgen waarvan het programma is goedgekeurd door de Minister en
georganiseerd wordt door :
a) « l'Office communautaire et régional de la Formation professionnelle et de
l'Emploi »;
b) de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
c) het « Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle »;
6° de leden van de politiemachten die kandidaat zijn voor een rijbewijs geldig
voor de categorieën A3, A, D of D+E voor de subcategorie D1 of D1+E, gedurende
de scholing in een politieschool, waarvan het programma is goedgekeurd door de
Minister;
7° de kandidaten die met het oog op het behalen van een rijbewijs geldig voor
de categorieën B, B+E, C, C+E en voor de subcategorieën C1 en C1+E of voor de
categorieën B, B+E, D, D+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E in de derde
graad van het secundaire beroepsonderwijs de opleiding « bestuurders van
vrachtwagens » of « bestuurders van autobussen en autocars » volgen waarvan het
programma door de Minister is goedgekeurd;
8° de bestuurders die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een Belgisch
militair rijbewijs geldig voor het besturen van legervoertuigen die zij
gemachtigd zijn te besturen krachtens dit document. Deze vrijstelling geldt
eveneens tijdens de scholing en het examen met het oog op het behalen van dit
rijbewijs;
9° de leden van de rijkswacht die kandidaat zijn voor het rijbewijs geldig voor
de categorie A3, A, B, B+E, C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E,
D1 of D1+E gedurende de scholing die zij volgen in een school van de
rijkswacht, waarvan het programma goedgekeurd is door de Minister;
10° de bestuurders van bromfietsen; deze vrijstelling geldt niet voor de
bestuurders van bromfietsen klasse B die geboren zijn na 14 februari 1961 en
die houder zijn van een der documenten bedoeld in artikel 3, ¢ 1;
11° de bestuurders van landbouwtrekkers en van voertuigen die ingeschreven zijn
als landbouwmaterieel, als landbouwmotor of als maaimachine, die van de hoeve
naar het veld rijden en omgekeerd;
12° de bestuurders, geboren vóór 1 oktober 1982, van landbouw- of
bosbouwtrekkers en van voertuigen voor traag vervoer omschreven in artikel 1, ¢
2, 15 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement
op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en
hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
13° de gehandicapten die een voertuig besturen uitgerust met een motor die niet
toelaat zich sneller dan stapvoets voort te bewegen;
14° de bestuurders van een motorvoertuig hen ter beschikking gesteld door het
centrum bedoeld in artikel 45, waartoe zij zich hebben gewend voor het bepalen
van hun geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig, alsmede om te
vernemen welke aanpassingen aan hun eigen voertuig moeten worden aangebracht,
gedurende de test op de openbare weg.
HOOFDSTUK II. - De scholing
Afdeling I. - Algemeenheden
Art. 5. ¢ 1. Elke kandidaat voor het rijbewijs moet een scholing doorlopen :
1° hetzij door, in een rijschool, het praktische onderricht bedoeld in artikel
15 te volgen. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B moet
bovendien een aanvullende scholing volgen op basis van een voorlopig rijbewijs
model 1 of model 2, overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in afdeling
II of op basis van een leervergunning, overeenkomstig de nadere regels
voorgeschreven in afdeling III;
2° hetzij op basis van een voorlopig rijbewijs model 3, overeenkomstig de
nadere regels voorgeschreven in afdeling II.
De kandidaat die houder is van een rijbewijs met de vermelding « automatisch »
moet, om een rijbewijs te behalen waarop deze vermelding niet voorkomt, een scholing
doorlopen hetzij door het volgen van het praktische onderricht bedoeld in
artikel 15, hetzij op basis van een voorlopig rijbewijs model 3, overeenkomstig
de nadere regels voorgeschreven in afdeling II.
¢ 2. Zijn evenwel vrijgesteld van de scholing voorgeschreven in de ¢ 1 :
1° de houders van een Belgisch militair rijbewijs bedoeld in artikel 27, 1°;
2° de houders van een Europees of een buitenlands rijbewijs, bedoeld in artikel
23, ¢ 2, 1° van de wet, dat ten minste geldig is voor dezelfde categorie of
subcategorie van voertuigen of voor een categorie of subcategorie als die
waarvoor de geldigverklaring wordt gevraagd;
3° de kandidaten bedoeld in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7° en 9° voor de
categorie"en of subcategorieën die door deze bepalingen worden bedoeld.
Afdeling II. - Voorlopig rijbewijs
Art. 6. De scholing op basis van een voorlopig rijbewijs is aan de volgende
voorwaarden onderworpen :
1° De kandidaat :
a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, ¢ 1 bedoelde voorwaarden om een
rijbewijs te verkrijgen;
b) moet op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs, sinds minder
dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretische examen bedoeld in artikel 23,
¢1, 4° van de wet of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28;
c) moet houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig :
- voor de categorie B wanneer het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs
geldig voor de categorie C of D of voor de subcategorie C1 of D1;
- voor het besturen van het overeenstemmende trekkende voertuig wanneer het
gaat om een kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B+E, C+E of
D+E of voor de subcategorie C1+E of D1+E;
d) mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen van
de categorie waarvoor het voorlopige rijbewijs is aangevraagd en moet geslaagd
zijn voor de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden
opgelegd;
e) moet voldoen aan de bepalingen van artikel 41 of van artikel 42;
f) mag geen houder geweest zijn van een voorlopig rijbewijs afgegeven na 31 december
1988, geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen.
Dit verbod is evenwel niet van toepassing :
- op de houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 geldig voor de
categorie B, die een voorlopig rijbewijs model 2 wil behalen, alsmede op de
houder van een voorlopig rijbewijs model 2, die een voorlopig rijbewijs model 1
of model 3 wil behalen.
De scholing die gevolgd werd op basis van een voorlopig rijbewijs geldig voor
de categorie B wordt, in geval van afgifte van een ander voorlopig rijbewijs
geldig voor deze categorie, in aanmerking genomen voor het berekenen van de
termijn voorgeschreven in artikel 34, tweede lid;
- op de houder van een rijbewijs met de vermelding « automatisch », die een
voorlopig rijbewijs model 3 wil behalen voor het aanleren van het besturen van
een voertuig van dezelfde categorie of subcategorie, uitgerust met een
handschakeling;
- op de houder van een rijbewijs of een voorlopig rijbewijs geldig voor de
categorie A dat de vermelding « A H 25 kW of H 0,16 kW/kg » draagt, voor het
behalen van een voorlopig rijbewijs voor het aanleren van het besturen van
motorfietsen met een vermogen van meer dan 25 kW of met een vermogen /
gewichtsverhouding van meer dan 0,16 kW/kg;
g) moet, in een rijschool, het praktische onderricht bedoeld in artikel 15
gevolgd hebben :
- als het gaat om een kandidaat voor een voorlopig rijbewijs model 1 of model
2;
- als het gaat om een kandidaat voor een voorlopig rijbewijs geldig voor de
categorie A, tenzij hij houder is van een rijbewijs, bedoeld in artikel 19, ¢
2;
h) moet de leeftijd bereikt hebben van 16 jaar voor de categorie A3, van 18
jaar voor de categorieën A, B, B+E, C en C+E en voor de subcategorieën C1,
C1+E, D1 en D1+E en van 21 jaar voor de categorieën D en D+E;
i) moet houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een nog geldig voorlopig
rijbewijs;
j) moet vergezeld zijn van een begeleider die beantwoordt aan de in 3°
voorgeschreven voorwaarden en die vermeld is op het voorlopige rijbewijs. Deze
beperking is niet van toepassing op de houder van een voorlopig rijbewijs model
3 geldig voor de categorie A3 of A of van een voorlopig rijbewijs model 2;
2° Het voertuig :
a) moet behoren tot de categorie of subcategorie van voertuigen waarvoor het
voorlopige rijbewijs geldig verklaard is;
b) mag geen andere personen vervoeren dan deze bedoeld in artikel 9. Voor de
categorieën A3 en A is elk vervoer van personen verboden;
c) mag in commercieel verband geen goederen vervoeren. Als de bestuurder
evenwel houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie C of C+E
of voor de subcategorie C1 of C1+E, mag het voertuig een lading hebben waarvan
het gewicht de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig of het
samenstel niet overschrijdt;
d) moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn
met het teken « L », waarvan het model is bepaald door de Minister;
e) mag geen aanhangwagen trekken als het voorlopige rijbewijs geldig verklaard
is voor de categorie A, B, C of D of voor de subcategorie C1 of D1;
f) moet, tenzij de bestuurder houder is van een voorlopig rijbewijs model 2,
voorzien zijn van :
- als het gaat om een voertuig van de categorie B dat niet uitgerust is met een
gesloten koetswerk, achteruitkijkspiegels binnen in het voertuig zodanig
geplaatst dat de bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht
hebben op het verkeer van achter en van links;
- als het gaat om een voertuig van de categorie B uitgerust met een gesloten
koetswerk of een voertuig van de categorie B+E, C, C+E, D, D+E of van de
subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, van rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst
dat de bestuurder en de begeleider een voldoende uitzicht hebben op het verkeer
van achter en van rechts;
- als het gaat om een voertuig van de categorie B of B+E, een parkeerrem
gemakkelijk bereikbaar door de begeleider, tenzij het gaat om een voertuig dat
speciaal aangepast is aan de handicap van de bestuurder of wanneer het gaat om
een voertuig uitgerust met ten minste een bedrijfsreminrichting met twee remmen,
zodanig dat de kandidaat en de begeleider ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen
terwijl de doelmatigheid voorgeschreven voor deze inrichting volledig behouden
blijft;
3° De begeleider :
a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, ¢ 1, bedoelde voorwaarden om een
rijbewijs te verkrijgen;
b) moet op de datum van de afgifte van het voorlopige rijbewijs geldig voor de
categorie B, B+E, C of C+E of voor de subcategorie C1 of C1+E de leeftijd van
24 jaar hebben bereikt en op de datum van de afgifte van het voorlopige
rijbewijs geldig voor de categorie D of D+E of voor de subcategorie D1 of D1+E
de leeftijd van 27 jaar;
c) moet sedert ten minste zes jaar houder zijn van, en tevens bij zich hebben,
een Belgisch of Europees rijbewijs geldig om het voertuig te besturen aan boord
waarvan hij de kandidaat vergezelt. De bestuurder die overeenkomstig artikel
44, ¢ 5 of artikel 45, enkel een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig
mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden;
d) mag niet vervallen zijn of geweest zijn van het recht om een motorvoertuig
te besturen. Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de
veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er voldaan
is aan de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden
opgelegd;
e) mag tijdens de laatste drie jaar niet :
- veroordeeld geweest zijn wegens overtreding van de artikelen 30, 32, 33, 34,
35, 36, 37, 47, 48 of 49 van de wet;
- meer dan driemaal veroordeeld geweest zijn voor een zware overtreding door de
Koning aangewezen op grond van artikel 29 van de wet;
f) mag, behalve voor dezelfde kandidaat, niet op een ander voorlopig rijbewijs
of leervergunning als begeleider vermeld geweest zijn binnen het jaar vóór de
afgifte van het voorlopige rijbewijs.
Dit verbod is niet van toepassing :
- op zijn eigen kinderen of pleegkinderen of die van zijn echtgenoot;
- op de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E
of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, hetzij wanneer de begeleider en
de kandidaat bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn ingeschreven als
personeelsleden van dezelfde onderneming die haar bestuurders zelf opleidt,
hetzij wanneer de begeleider en de kandidaat prestaties verrichten in een brandweerdienst
bedoeld in de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming;
g) moet vooraan in het voertuig plaatsnemen.
Art. 7. Het voorlopige rijbewijs stemt overeen met de modellen van bijlage 2.
Het voorlopige rijbewijs wordt afgegeven :
1° aan de personen bedoeld in artikel 3, ¢ 1, 1° en 3°, b) en c), door de
burgemeester van de gemeente of door diens gemachtigde waar de aanvrager
ingeschreven of vermeld is in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;
2° aan de personen bedoeld in artikel 3, ¢ 1, 2° door de burgemeester van de
gemeente of door diens gemachtigde die de bijlage 33 heeft afgegeven;
3° aan de personen bedoeld in artikel 3, ¢ 1, 3°, a), door de Minister van
Buitenlandse Zaken of zijn gemachtigde.
Het voorlopige rijbewijs wordt uitgereikt tegen afgifte van een degelijk
ingevulde aanvraag om een voorlopig rijbewijs en op vertoon van het bewijs dat
voldaan is aan de voorwaarden voorgeschreven bij artikel 6, 1°, b), c), e), g)
en 3°, f), tweede streepje.
Het model van de aanvraag om een voorlopig rijbewijs en van het attest
voorgelegd door de kandidaat die artikel 6, 3°, f), tweede streepje inroept,
wordt bepaald door de Minister.
Art. 8. ¢ 1. Het voorlopige rijbewijs model 1 is negen maanden geldig, het
voorlopige rijbewijs model 2 is zes maanden geldig en het voorlopige rijbewijs
model 3 is twaalf maanden geldig.
De geldigheid van een voorlopig rijbewijs kan niet verlengd worden behalve in
het geval voorgeschreven in ¢ 6, 2°.
¢ 2. De overheid die het voorlopige rijbewijs afgeeft, maakt het geldig voor
een van de categorieën A3, A, B, B+E, C, C+E, D of D+E of een van de
subcategorieën C1, C1+E, D1 of D1+E. Het voorlopige rijbewijs model 1 of model
2 wordt slechts geldig gemaakt voor de categorie B.
Het voorlopige rijbewijs afgegeven voor het aanleren van het besturen van een
voertuig van de categorie A wordt enkel geldig verklaard voor het besturen van
motorfietsen met een vermogen van minder of gelijk aan dan 25 kW of met een
vermogen / gewichtsverhouding van minder of gelijk aan 0,16 kW/kg indien de
kandidaat minder dan 21 jaar is of indien de kandidaat de lessen bedoeld in
artikel 15, tweede lid, 3°, a) gevolgd heeft met een dergelijk voertuig.
¢ 3. Het voorlopige rijbewijs is slechts geldig voor het aanleren van het
besturen van voertuigen van de categorie of subcategorie waarvoor het geldig
verklaard is.
De voorwaarden en de beperkingen die voorkomen op de attesten bedoeld in
artikel 41, ¢ 4, 44, ¢ 5 en 45 worden aangebracht op het voorlopige rijbewijs
in de vorm van de codes bepaald in bijlage 7.
¢ 4. Ieder voorlopig rijbewijs dat is afgegeven hoewel niet was voldaan aan de
voorwaarden die in deze afdeling voor de afgifte ervan gesteld worden, is
nietig.
In dat geval wordt het voorlopige rijbewijs aan de in artikel 7 vermelde overheid
teruggegeven.
¢ 5. Het voorlopige rijbewijs verliest zijn geldigheid :
1° wanneer er niet meer voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in deze afdeling;
2° bij het verstrijken van de geldigheidstermijn van het document;
3° wanneer er een ander voorlopig rijbewijs wordt afgegeven, behalve wanneer
een van de documenten geldig verklaard is voor de categorie A3 of A;
4° als er een rijbewijs wordt afgegeven, geldig voor dezelfde categorie of
subcategorie van voertuigen als deze waarvoor het voorlopige rijbewijs geldig
verklaard is.
Het voorlopige rijbewijs dat zijn geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven
aan de overheid bedoeld in artikel 7.
¢ 6. In afwijking van de bepalingen van ¢ 5, verliest het voorlopige rijbewijs
evenwel zijn geldigheid niet :
1° als een van de op het voorlopige rijbewijs vermelde begeleiders niet langer
één van de in artikel 6, 3° vermelde voorwaarden vervult. In dit geval, moet de
kandidaat veranderen van begeleider overeenkomstig de bepalingen van ¢ 7;
2° als de houder van het voorlopige rijbewijs vervallen verklaard is van het
recht om een motorvoertuig van de categorie of subcategorie te besturen
waarvoor het document is geldig verklaard. In dit geval, wordt de geldigheid
van het document opgeschort tot het einde van de vervalperiode en, in
voorkomend geval, tot het slagen voor de onderzoeken die krachtens artikel 38
van de wet worden opgelegd. Bij teruggave van het document, overeenkomstig
artikel 68, verlengt de overheid, bedoeld in artikel 7, de geldigheid van het
voorlopige rijbewijs met een termijn die gelijk is aan de periode gedurende
dewelke de geldigheid van het document opgeschort is geweest.
¢ 7. Een tweede begeleider, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het
artikel 6, 3° mag door de overheid bedoeld in artikel 7 op het voorlopige
rijbewijs vermeld worden hetzij op het ogenblik van de afgifte hetzij tijdens
de scholing.
In geval van verandering van begeleider tijdens de scholing wordt een nieuw
voorlopig rijbewijs afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 7; dit nieuwe
document heeft dezelfde uiterste geldigheidsdatum als het oorspronkelijk
voorlopige rijbewijs.
Art. 9. De kandidaat van minder dan 24 jaar mag niet sturen van tweeëntwintig
uur tot zes uur 's anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, op de vooravond
van de wettelijke feestdagen en op de wettelijke feestdagen.
De houder van een voorlopig rijbewijs model 2 mag vergezeld zijn van een
persoon, die ten minste 24 jaar oud is en houder van, en tevens bij zich heeft,
een Belgisch of Europees rijbewijs, geldig voor ten minste de categorie B. In
dat geval, mag één persoon meer in het voertuig plaats nemen.
De houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 mag, naast de
begeleider, vergezeld zijn van één andere persoon.
Afdeling III. - Leervergunning
Art. 10. De scholing op basis van een leervergunning is aan de volgende
voorwaarden onderworpen :
1° De kandidaat :
a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, ¢ 1, bedoelde voorwaarden om een
rijbewijs te verkrijgen;
b) moet in een rijschool het theoretische en het praktische onderricht gevolgd
hebben, bedoeld in de artikelen 14 en 15, tweede lid, 6° en geslaagd zijn voor
het theoretische examen bedoeld in artikel 23, ¢ 1, 4° van de wet of ervan
vrijgesteld zijn krachtens artikel 28;
c) mag niet vervallen zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen van
de categorie B en moet geslaagd zijn voor de onderzoeken die eventueel
krachtens artikel 38 van de wet worden opgelegd;
d) moet voldoen aan de bepalingen van artikel 41;
e) moet op het ogenblik van de afgifte van de leervergunning de leeftijd van
ten minste 17 jaar bereikt hebben en mag de leeftijd van 18 jaar niet
overschreden hebben;
f) mag niet eerder houder geweest zijn van een leervergunning;
g) moet houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een nog geldige
leervergunning;
h) moet vergezeld zijn van een begeleider die beantwoordt aan de in 3°
voorgeschreven voorwaarden en die vermeld is op de leervergunning;
2° Het voertuig :
a) moet behoren tot de categorie B;
b) mag, behalve de begeleider vermeld op de leervergunning, slechts één andere
persoon vervoeren;
c) mag in commercieel verband geen goederen vervoeren;
d) moet op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats uitgerust zijn
met het teken « L », waarvan het model bepaald is door de Minister;
e) moet voorzien zijn van :
- achteruitkijkspiegels binnen in het voertuig zodanig geplaatst dat de
bestuurder en de begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer
van achter en van links of, als het voertuig uitgerust is met een gesloten
koetswerk, rechtse buitenspiegels zodanig geplaatst dat de bestuurder en de
begeleider ieder een voldoende uitzicht hebben op het verkeer van achter en van
rechts;
- een parkeerrem gemakkelijk bereikbaar door de begeleider, tenzij het gaat om
een voertuig dat speciaal aangepast is aan de handicap van de bestuurder of
wanneer het gaat om een voertuig uitgerust met ten minste een
bedrijfsreminrichting met twee remmen, zodanig dat de kandidaat en de
begeleider ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen terwijl de doelmatigheid
voorgeschreven voor deze inrichting volledig behouden blijft;
f) mag geen aanhangwagen trekken;
3° De begeleider :
a) moet beantwoorden aan de in artikel 3, ¢ 1 bedoelde voorwaarden om een
rijbewijs te verkrijgen;
b) moet op de datum van de afgifte van de leervergunning de leeftijd van ten
minste 24 jaar bereikt hebben;
c) moet sedert, ten minste zes jaar, houder zijn van een Belgisch of een
Europees rijbewijs geldig voor ten minste de categorie B en het tevens bij zich
hebben. De bestuurder die overeenkomstig artikel 44, ¢ 5 of artikel 45, enkel
een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig mag besturen, mag niet als
begeleider bij de scholing optreden;
d) mag niet vervallen zijn of geweest zijn van het recht om een motorvoertuig
te besturen. Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de
veroordeling of bij herstel in eer en rechten op voorwaarde dat er voldaan is
aan de onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden
opgelegd;
e) mag tijdens de laatste drie jaar niet :
- veroordeeld geweest zijn wegens overtreding van de artikelen 30, 32, 33, 34,
35, 36, 37, 47, 48 of 49 van de wet;
- meer dan driemaal veroordeeld geweest zijn voor een zware overtreding door de
Koning aangewezen op grond van artikel 29 van de wet;
f) mag, behalve voor dezelfde kandidaat, niet als begeleider vermeld geweest
zijn op een andere leervergunning of op een voorlopig rijbewijs binnen het jaar
vóór de afgifte van de leervergunning. Dit verbod is niet van toepassing op
zijn eigen kinderen of pleegkinderen of die van zijn echtgenoot;
g) moet de in artikel 15, tweede lid, 6°, bedoelde lesuren gevolgd hebben,
tenzij in het in artikel 12, ¢ 6, derde lid, bedoelde geval;
h) moet vooraan in het voertuig plaatsnemen.
Art. 11. De leervergunning stemt overeen met het model van bijlage 3.
De leervergunning wordt afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 7, tegen
afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een leervergunning en op vertoon
van het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van het artikel 10, 1°, b) en
d) en 3°, g).
Het model van de aanvraag om een leervergunning wordt bepaald door de Minister.
Art. 12. ¢ 1. De leervergunning is achttien maanden geldig.
De geldigheid van de leervergunning mag niet verlengd worden behalve in het
geval voorgeschreven in ¢ 5, 2°.
¢ 2. De leervergunning is maar geldig voor het aanleren van het besturen van
voertuigen van de categorie B.
De voorwaarden en de beperkingen die voorkomen op de attesten bedoeld in
artikel 41, ¢ 4 en 45, worden in de vorm van de codes, bepaald in bijlage 7,
weergegeven op de leervergunning.
¢ 3. Iedere leervergunning die is afgegeven hoewel niet was voldaan aan de
voorwaarden die in deze afdeling voor de afgifte ervan gesteld worden, is
nietig.
In dat geval, wordt de leervergunning aan de in artikel 7 vermelde overheid
teruggegeven.
¢ 4. De leervergunning verliest haar geldigheid :
1° wanneer er niet meer voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in deze afdeling;
2° bij het verstrijken van de geldigheidstermijn van het document;
3° wanneer een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B wordt afgegeven;
4° als er een rijbewijs wordt afgegeven, geldig voor dezelfde categorie van
voertuigen als deze waarvoor de leervergunning geldig verklaard is.
De leervergunning die haar geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven aan de
overheid bedoeld in artikel 7.
¢ 5. In afwijking van de bepalingen van ¢ 4, verliest de leervergunning evenwel
haar geldigheid niet :
1° als een van de op de leervergunning vermelde begeleiders, één van de in
artikel 10, 3° voorgeschrevene voorwaarden niet meer vervult. In dit geval,
moet de kandidaat veranderen van begeleider overeenkomstig de bepalingen van ¢
6;
2° als de houder van de leervergunning vervallen verklaard is van het recht om
een motorvoertuig van de categorie B te besturen. In dit geval, wordt de
geldigheid van het document opgeschort tot het einde van de vervalperiode en,
in voorkomend geval, tot het slagen voor de onderzoeken die krachtens artikel
38 van de wet worden opgelegd. Bij de teruggave van het document overeenkomstig
artikel 68 verlengt de overheid, bedoeld in artikel 7, de geldigheid van de
leervergunning met een termijn die gelijk is aan de periode gedurende dewelke
de geldigheid van het document opgeschort is geweest.
¢ 6. Een tweede begeleider, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het
artikel 10, 3°, mag door de overheid bedoeld in artikel 7 op de leervergunning
vermeld worden hetzij op het ogenblik van de afgifte ervan hetzij tijdens de
scholing.
In geval van verandering van begeleider tijdens de scholing dient een nieuwe
leervergunning afgegeven te worden door de overheid bedoeld in artikel 7; dit
nieuw document heeft dezelfde uiterste geldigheidsdatum als de oorspronkelijke
leervergunning.
De begeleider, die vermeld wordt tijdens de scholing, moet de praktische lessen
bedoeld in artikel 15, tweede lid, 6°, niet volgen; hij moet daarentegen de
praktische lessen bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°, j) volgen indien de
andere begeleider vermeld op de leervergunning deze lessen niet gevolgd heeft.
Art. 13. De kandidaat mag niet sturen van tweeëntwintig uur tot zes uur 's
anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, op de vooravond van de wettelijke
feestdagen en op de wettelijke feestdagen.
Afdeling IV
Theoretisch en praktisch onderricht verstrekt door de rijscholen
Art. 14. Het theoretische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof
bedoeld in bijlage 4.
Het theoretische onderricht heeft een minimumduur van :
1° zes uren voor de voorbereiding op het theoretische examen voor de
categorieën A3, C en D en voor de subcategorieën C1 en D1;
2° twaalf uren voor de voorbereiding op het theoretische examen voor de
categorieën A en B.
Art. 15. Het praktische onderricht verstrekt door de rijscholen omvat de stof
voorgeschreven in bijlage 5.
Het praktische onderricht heeft een minimumduur van :
1° twee uren :
a) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3 die de
scholing volgt in een rijschool;
b) voor de kandidaat, houder van een Belgisch of Europees rijbewijs met de
vermelding « automatisch » voor een bepaalde categorie of subcategorie van
voertuigen, die een rijbewijs wenst te behalen geldig voor dezelfde categorie
of subcategorie en waarop die vermelding niet voorkomt;
c) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A die
het praktische examen wenst af te leggen met een instructeur afkomstig uit een
rijschool;
d) voor de kandidaat die, na het minimum aantal uren praktisch onderricht dat
in dit artikel voorgeschreven is, gevolgd te hebben, zich voor het afleggen van
het examen tot een andere zetel van deze school of tot een andere school wendt;
e) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A3 of A
of van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de
vermelding « automatisch » die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische
examen;
f) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A3 of A
of van een voorlopig rijbewijs afgegeven met het oog op de opheffing van de vermelding
« automatisch » waarvan de geldigheidsduur verstreken is;
g) voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 2;
h) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72, ¢ 5, als voorbereiding op het
praktische examen tot het herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van
de categorie A3;
i) voor de houder van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor het
besturen van motorfietsen met een vermogen dat minder of gelijk is aan 25 kW of
met een vermogen / gewichtsverhouding van minder of gelijk aan 0,16 kW/kg die
een rijbewijs geldig voor het besturen van alle voertuigen van de categorie A
wenst te behalen;
j) voor de houder van een leervergunning, vergezeld van de begeleider of
begeleiders vermeld op de leervergunning;
2° vier uren :
a) voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 geldig voor de categorie
B, B+E, C, C+E, D of D+E of de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E die tweemaal
niet geslaagd is voor het praktische examen;
b) voor de houder van een voorlopig rijbewijs model 3, geldig voor de categorie
B die zich voor het praktische examen wenst te melden met een instructeur
afkomstig van een rijschool;
3° zes uren :
a) voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A
wenst te behalen;
b) als voorbereiding op de test bedoeld in artikel 4, 14°;
4° acht uren :
a) voor de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A, B+E, C,
C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E die de scholing
volgt in een rijschool;
b) voor de houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie B, B+E,
C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E waarvan de
geldigheidsduur verstreken is;
c) voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs model 1 wenst te behalen;
d) voor de houder van een leervergunning waarvan de geldigheid verstreken is;
e) voor de kandidaat bedoeld in artikel 72, ¢ 5, als voorbereiding op het
praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van voertuigen van de
categorie A;
5° tien uren :
voor de kandidaat bedoeld in artikel 72, ¢ 5 als voorbereiding op het
praktische examen tot herstel in het recht tot sturen van de voertuigen van de
categorie B;
6° twaalf uren :
voor de kandidaat die een leervergunning wenst te verkrijgen, waarvan de
laatste twee uren moeten gevolgd worden, samen met de op de leervergunning
vermelde begeleider of begeleiders;
7° achttien uren :
voor de kandidaat die een voorlopig rijbewijs model 2 wenst te verkrijgen.
Art. 16. De verplichting tot het volgen van het aantal uren voorgeschreven in
de artikelen 14 en 15 is niet van toepassing op de houders van een Belgisch,
een Europees of een buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van de
wet, van een voorlopig rijbewijs of van een leervergunning, die lessen volgen
om hun rijvaardigheid tot het sturen van voertuigen van de categorie of de
subcategorie waarvoor het document geldig is, te vervolmaken.
Om tot het aantal uren te komen, bedoeld in de artikelen 14 en 15, mogen
samengeteld worden, voor het theoretische onderricht, het aantal uren die
gevolgd werden in twee verschillende zetels van eenzelfde school of, voor het
praktische onderricht, het aantal uren die gevolgd werden in twee verschillende
zetels van eenzelfde school of nog, in twee verschillende scholen. Die bepaling
is niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°,
j) en 6° behalve wanneer hij zich inschrijft in het bevolkings-, vreemdelingen-
of wachtregister van een andere gemeente.
De gevolgde lesuren in een rijschool worden in aanmerking genomen worden
gedurende een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop met de
lessen werd begonnen. Komen evenwel niet in aanmerking de lessen gevolgd met de
begeleider, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 1°, j) en 6° en de
vervolmakingslessen bedoeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK III. - Het rijbewijs
Afdeling I. - Afgifte
Art. 17. ¢ 1. Het rijbewijs komt overeen met het model van bijlage 1.
Het rijbewijs wordt uitgereikt door de overheid bedoeld in artikel 7, tegen
afgifte van een degelijk ingevulde aanvraag om een rijbewijs. Het model van de
aanvraag om een rijbewijs wordt bepaald door de Minister.
Deze aanvraag is vergezeld van :
1° twee foto's van de aanvrager die overeenstemmen met de door de Minister
vastgestelde normen;
2° de verklaringen betreffende de lichamelijke en visuele geschiktheid of, in
voorkomend geval, de attesten voorgeschreven in de artikelen 41, ¢¢ 2 of 3, 44,
¢ 5 en 45, tweede lid. Het attest voorgeschreven in artikel 44, ¢ 5 is niet
vereist indien de kandidaat houder is van een nog geldig rijbewijs, waarvoor
het attest reeds aangeboden werd;
3° een verklaring op eer waarin gesteld wordt dat de aanvrager geen houder is
van een Europees rijbewijs, behalve in het in ¢ 2 bedoelde geval;
4° in voorkomend geval, de rechtvaardiging van de ingeroepen vrijstelling van
het theoretische examen of het praktische examen.
Het rijbewijs is uitgereikt binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf
de datum van het slagen voor het praktische examen bedoeld in artikel 33 of van
de praktische proef bedoeld in de artikelen 27, 3° en 4° en 29. Zoniet moet de
kandidaat opnieuw scholing volgen en een nieuw theoretisch en praktisch examen
afleggen.
¢ 2. Indien de aanvrager, overeenkomstig artikel 27, 2°, een Europees rijbewijs
of een buitenlands rijbewijs voorlegt, bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van de
wet, ondertekent hij een verklaring waarbij bevestigd wordt dat het rijbewijs
authentiek en nog geldig is; het rijbewijs wordt afgegeven aan de overheid
bedoeld in artikel 7.
Indien het een Europees rijbewijs betreft, wordt het teruggezonden naar de
overheid die het heeft uitgereikt, met vermelding van de redenen voor die
terugzending. Indien het om een buitenlands rijbewijs gaat, wordt dat rijbewijs
bewaard door de in artikel 7 genoemde overheid en aan de houder teruggegeven
wanneer deze niet meer voldoet aan de voorwaarden die in artikel 3, ¢ 1, voor
het verkrijgen van een rijbewijs gesteld worden, tegen teruggave van het
Belgische rijbewijs.
Art. 18. De minimum leeftijd voor het verkrijgen van een rijbewijs is vastgesteld
op :
1° 16 jaar voor de categorie A3;
2° 18 jaar voor de categorieën A, B, B+E en voor de subcategorieën C1 en C1+E;
3° 21 jaar voor de categorieën C, C+E, D en D+E en voor de subcategorieën D1 en
D1+E.
Evenwel, kan elke kandidaat van ten minste 18 jaar een rijbewijs geldig voor de
categorieën C en C+E en voor de subcategorieën D1 en D1+E verkrijgen op
voorwaarde dat hij houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid zoals
bedoeld in artikel 59.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende
algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, afgegeven, naargelang het
geval, voor het goederenvervoer of het personenvervoer.
Afdeling II. - Geldigheid
Art. 19. ¢ 1. Het rijbewijs wordt geldig verklaard voor het besturen van
voertuigen van de categorie A3, A, B, B+E, C, C+E, D of D+E of van de
subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E.
¢ 2. Het rijbewijs geldig voor de categorie A dat afgegeven werd aan een
bestuurder die de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt heeft of die het
praktische examen heeft afgelegd met een voertuig bedoeld in het artikel 38, ¢
2, 1° is enkel geldig verklaard voor het besturen van motorfietsen met een
vermogen van minder dan of gelijk aan 25 kW of een vermogen /
gewichtsverhouding van minder dan of gelijk aan 0,16 kW/kg.
Na afloop van een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van afgifte
van het rijbewijs bedoeld in het eerste lid, kan de houder, zonder zich te
onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch examen
te moeten afleggen, een rijbewijs geldig voor het besturen van alle voertuigen
van de categorie A verkrijgen. De procedure, voorgeschreven in artikel 49 is
van toepassing.
¢ 3. De kandidaat van minder dan 21 jaar oud die het praktische examen heeft
afgelegd met een voertuig van de categorie C of C+E of met een voertuig van de
categorie D of D+E ontvangt, naargelang het geval, een rijbewijs enkel geldig
verklaard voor het besturen van voertuigen van de subcategorie C1 of C1+E,
behalve als hij houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid zoals
bedoeld in artikel 18 of een rijbewijs enkel geldig verklaard voor de
subcategorie D1 of D1+E.
Als de kandidaat de leeftijd van 21 jaar bereikt, kan er een rijbewijs geldig
verklaard voor, naargelang het geval, het besturen van voertuigen van de
categorie C of C+E of van de categorie D of D+E worden afgegeven, zonder zich
te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch
examen te moeten afleggen. De procedure, voorgeschreven in artikel 49 is van
toepassing.
Art. 20. ¢ 1. De geldigheid van de rijbewijzen wordt bepaald als volgt :
1° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A wordt eveneens geldig
verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie A3;
2° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B wordt eveneens geldig
verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie A3;
3° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C wordt eveneens geldig
verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën A3 en B en de
subcategorie C1;
4° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D wordt eveneens geldig
verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën A3 en B en de
subcategorie D1;
5° het rijbewijs geldig verklaard voor de subcategorie C1 wordt eveneens geldig
verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën A3 en B;
6° het rijbewijs geldig verklaard voor de subcategorie D1 wordt eveneens geldig
verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorieën A3 en B;
7° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C+E of D+E of voor de
subcategorie C1+E of D1+E wordt eveneens geldig verklaard voor het besturen van
voertuigen van de categorie B+E;
8° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C+E wordt eveneens geldig
verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie C1+E;
9° het rijbewijs geldig verklaard voor de subcategorieën C1+E en D1 wordt
eveneens geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de subcategorie
D1+E;
10° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D+E wordt eveneens geldig
verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie D1+E;
11° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorieën C+E en D wordt eveneens
geldig verklaard voor het besturen van voertuigen van de categorie D+E;
12° het rijbewijs met de vermelding « automatisch » is slechts geldig voor het
besturen van voertuigen uitgerust met een automatische schakeling; deze
beperking heeft desgevallend alleen betrekking op bepaalde categorieën,
aangeduid op het rijbewijs.
¢ 2. Het rijbewijs, geldig verklaard voor de categorie B, afgegeven sinds ten
minste twee jaar, laat het besturen van voertuigen van de categorie A met een
maximale cilinderinhoud van 125 cm3 en met een maximaal vermogen van 11 kW toe.
Art. 21. ¢ 1. - Het rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen voor
de categorieën A3, A, B en B+E is geldig voor een onbepaalde duur of voor de
door de geneesheer aangegeven duur als de toestemming tot sturen in de tijd
beperkt is overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6.
Het rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen van de categorieën C,
C+E, D en D+E of van de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E is geldig voor de
duur aangeduid op het attest bedoeld in artikel 44, ¢ 5.
Het Europese rijbewijs afgegeven voor het besturen van voertuigen van de
categorieën C, C+E, D en D+E of voor de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E of
voor gelijkwaardige categorieën of subcategorieën is geldig voor een periode
van vijf jaar, te rekenen vanaf de inschrijvingsdatum in een Belgische gemeente
of bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze periode wordt teruggebracht
tot drie jaar als de houder 50 jaar of meer is; bovendien verstrijkt de
geldigheid van het rijbewijs afgegeven voordat de leeftijd van 50 jaar wordt
bereikt ten laatste op het ogenblik dat de houder de leeftijd van 53 jaar
bereikt. Evenwel, als er op het rijbewijs een kortere geldigheidsduur is
vermeld dan deze in dit lid, is die kortere duur van toepassing.
¢ 2. Het Belgische of Europese rijbewijs waarvan de houder beantwoordt aan de
voorwaarden van het artikel 3, ¢ 1, geldig verklaard voor de categorie A, B of
B+E of voor een gelijkwaardige categorie, is geldig voor het besturen van
voertuigen van deze categorieën, bestemd voor een van de vervoersdiensten
bedoeld in artikel 43, voor de duur aangeduid op het attest bedoeld in artikel
44, ¢ 5.
¢ 3. Het Belgische of Europese rijbewijs dat beperkt is in de tijd
overeenkomstig de bepalingen van ¢¢ 1 en 2 wordt vernieuwd op vertoon van het
attest bedoeld in de artikelen 41, ¢¢ 2 of 3, 44, ¢ 5 of 45, tweede lid.
Een nieuw rijbewijs wordt afgegeven, overeenkomstig de procedure voorgeschreven
in artikel 49, zonder dat de aanvrager zich moet onderwerpen aan de scholing en
een nieuw theoretisch en praktisch examen moet afleggen.
Het nieuwe rijbewijs is geldig voor de duur die aangeduid is op het attest
bedoeld in het eerste lid.
¢ 4. Het rijbewijs afgegeven aan een persoon die ingeschreven is in het
wachtregister van een Belgische gemeente en die houder is van een attest van
immatriculatie, is geldig gedurende een jaar.
Het rijbewijs wordt jaarlijks vernieuwd, overeenkomstig de procedure
voorgeschreven in artikel 49, zolang geen uitspaak gedaan is over de aanvraag
tot erkenning van hoedanigheid van vluchteling.
Art. 22. De geldigheidsduur wordt op het rijbewijs vermeld.
De geldigheidsduur van het rijbewijs bedoeld in artikel 21, ¢ 2 wordt aangeduid
in de rubriek « categorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs geldig is in
het nationale verkeer ». Voor de toepassing van dit lid vraagt de houder, in
voorkomend geval, een nieuw rijbewijs aan. De procedure voorgeschreven in
artikel 49 is van toepassing.
De eerste afgiftedatum van elke categorie wordt weer overgenomen op elke
vervanging van het rijbewijs.
Art. 23. De voorwaarden waaronder de bestuurder gemachtigd is te sturen,
voorkomend op het attest bedoeld in de artikelen 41, ¢ 4, 44, ¢ 5 en 45, tweede
lid, worden in de vorm van de codes, bepaald in bijlage 7, overgenomen op het
rijbewijs.
Wanneer de kandidaat het praktische examen heeft afgelegd, met een voertuig
uitgerust met een automatische schakeling, wordt daarvan in de vorm van de
codes bepaald in bijlage 7, melding gemaakt op het rijbewijs. Dit lid is niet
van toepassing op de voertuigen van de categorie A3.
Het rijbewijs dat wordt afgegeven in ruil voor een Europees of een buitenlands
rijbewijs dat geldig is voor een subcategorie waarin door dit besluit niet
wordt voorzien, draagt de vermelding van de beperking tot het besturen van de
voertuigen van die subcategorie, in de vorm van de codes bepaald in bijlage 7.
Art. 24. Is nietig, elk rijbewijs afgegeven zonder dat aan de bepalingen van
dit besluit is voldaan of wanneer blijkt dat het rijbewijs werd afgegeven
zonder dat de aanvrager daadwerkelijk een gewone verblijfplaats in België verworven
heeft, zelfs als hij beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 3, ¢ 1.
Het rijbewijs verliest zijn geldigheid wanneer aan de houder een nieuw
rijbewijs wordt afgegeven.
Het rijbewijs dat zijn geldigheid verloren heeft, wordt teruggegeven aan de overheid
bedoeld in artikel 7.
HOOFDSTUK IV. - Examens
Afdeling I. - Examencentra
Art. 25. ¢ 1. De theoretische en praktische examens bedoeld in artikel 23, ¢ 1,
2° en 4° van de wet, worden afgelegd in de examencentra georganiseerd door de
instellingen voor de automobielinspectie erkend overeenkomstig de bepalingen
van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de
erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de
instellingen belast met de controle van de in verkeer gebrachte voertuigen.
De kandidaten leggen het theoretische en het praktische examen af ten overstaan
van examinatoren, bedoeld in het artikel 26. Het theoretische examen kan
eveneens afgelegd worden voor een aangestelde van de instelling, handelend
onder de verantwoordelijkheid van de examinator.
¢ 2. De Minister bepaalt het aantal van de examencentra, de plaats van hun
vestiging, de grenzen van hun territoriale bevoegdheid en de regelen
betreffende hun organisatie.
De erkende instellingen gedragen zich voor de uitvoering van hun opdracht naar
de onderrichtingen welke hen door de Minister of door zijn gemachtigde gegeven
worden.
Afdeling II. - Examinatoren
Art. 26. ¢ 1. - De examinatoren belast met het theoretische en het praktische
examen worden aangeworven en bezoldigd door de in artikel 25 bedoelde
instellingen, of door een rechtspersoon die deze laatsten groepeert. Ze zijn
door de Minister of zijn gemachtigde erkend.
De Minister kan, na de betrokkene en desgevallend de directeur van de
instelling te hebben gehoord, de erkenning van de examinator opschorten voor
een termijn van acht dagen tot een jaar, of ze intrekken wegens het niet
naleven van de bepalingen van dit besluit.
¢ 2. Om te worden erkend moeten de betrokkenen voldoen aan de volgende voorwaarden
:
1° onderdaan zijn van een van de Lid-Staten van de Europese Unie of van de
Europese Economische Ruimte;
2° ten minste 25 jaar oud zijn;
3° van onberispelijk zedelijk gedrag zijn;
4° niet vervallen zijn of vervallen geweest zijn van het recht om een
motorvoertuig te besturen. Dit verbod is niet van toepassing bij uitwissing van
de veroordeling of bij herstel in eer en rechten en op voorwaarde dat er
voldaan is aan de onderzoeken die krachtens artikel 38 van de wet worden
opgelegd;
5° houder zijn van ten minste een diploma, getuigschrift of brevet dat in
aanmerking komt voor de toelating tot de niveaus 1, 2+ of 2, van de
Rijksbesturen, genoemd in hoofdstuk I van bijlage 1 van het koninklijk besluit
van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel of van een
buitenlands diploma, getuigschrift of brevet dat als gelijkwaardig is erkend
overeenkomstig hoofdstuk II van dezelfde bijlage;
6° geslaagd zijn voor een examen waarvan de inhoud en de nadere regels
goedgekeurd zijn door de Minister;
7° geschikt bevonden zijn bij een geneeskundig onderzoek;
8° ten minste 7 jaar ervaring hebben inzake het besturen van auto's en houder
zijn van ten minste een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie
B. Ze moeten bovendien houder zijn van een rijbewijs geldig voor de categorieën
of subcategorieën van motorvoertuigen voor dewelke ze als examinator belast met
het afnemen van het praktische examen aangeduid zijn.
De voorwaarden bedoeld in 5° en 6° gelden niet voor de examinatoren die op 1
januari 1989 in dienst waren.
¢ 3. De functie van examinator is onverenigbaar met elke functie of elke
betrekking in een rijschool.
Niemand mag de functie van examinator uitoefenen bij een examen dat door een
van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad wordt afgelegd.
De examinator mag niet optreden als begeleider behalve voor zijn echtgenoot,
kinderen, pleegkinderen of voor deze van zijn echtgenoot.
Afdeling III. - Vrijstellingen
Art. 27. De kandidaat voor het rijbewijs is vrijgesteld van de theoretische en
de praktische examens, indien hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet :
1° houder zijn van een Belgisch militair rijbewijs waarvan de geldigheid
bevestigd is door de militaire overheden, op voorwaarde dat de categorie of de
subcategorie van de voertuigen vermeld in de kolom « burger » overeenstemt met
deze waarvoor de geldigheid wordt aangevraagd, overeenkomstig de bepalingen van
artikel 20;
2° houder zijn van een Europees rijbewijs of van een buitenlands rijbewijs
bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van de wet; deze vrijstelling geldt slechts voor
dezelfde categorie of subcategorie of voor een gelijkwaardige categorie of
subcategorie als deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd.
Er moet daarenboven voldaan worden aan de volgende voorwaarden :
a) het rijbewijs moet afgegeven zijn door het land waar de houder zijn gewone
verblijfplaats had op het ogenblik van de afgifte van het rijbewijs;
b) het rijbewijs moet afgegeven zijn vóór de inschrijving in het bevolkings-,
vreemdelingen- of wachtregister van een Belgische gemeente.
De bepalingen voorgeschreven in a) en b) zijn niet van toepassing op de
personen die het bewijs leveren dat zij, op het ogenblik van de afgifte van het
rijbewijs, als student ten minste zes maanden ingeschreven waren in het land
dat het rijbewijs heeft afgegeven en op de personen bedoeld in het artikel 3, ¢
1, 3°;
3° geslaagd zijn voor de theoretische en praktische proeven georganiseerd na de
opleiding bedoeld in artikel 4, 4° tot het behalen van een rijbewijs geldig
voor de categorie D of D+E of voor de subcategorie D1 of D1+E;
4° geslaagd zijn voor de theoretische en praktische proeven georganiseerd na de
opleiding bedoeld in artikel 4, 9°, geldig voor de categorie of subcategorie
van voertuigen waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd.
Art. 28. De kandidaat voor het rijbewijs is vrijgesteld van het theoretische
examen, indien hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet :
1° houder zijn van een Belgisch of een Europees rijbewijs.
Kunnen evenwel niet genieten van deze vrijstelling :
a) de houder van een rijbewijs geldig voor de categorie A3;
b) de kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de subcategorie C1 of D1;
c) de kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C of D, behalve als
hij houder is van een rijbewijs respectievelijk geldig voor de subcategorie C1
of D1;
2° geslaagd zijn voor het theoretische examen opgelegd krachtens artikel 38 van
de wet en geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen als
deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. De kandidaat geniet slechts van
deze vrijstelling als hij een getuigschrift van theoretisch onderricht
voorlegt, afgegeven door een rijschool.
Art. 29. De kandidaat voor het rijbewijs is vrijgesteld van het praktische
examen wanneer hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
1° geslaagd zijn voor een praktische proef voor dezelfde categorie of
subcategorie van voertuigen als deze waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd,
afgelegd in een organisme bedoeld in artikel 4, 5°;
2° geslaagd zijn voor het praktische examen opgelegd krachtens artikel 38 van
de wet, geldig voor dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen als deze
waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. De kandidaat kan maar genieten van
deze vrijstelling als hij een getuigschrift van praktisch onderricht voorlegt
afgegeven door een rijschool.
De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B volgt daarenboven
een scholing van ten minste drie maanden op basis van een voorlopig rijbewijs
model 2, van ten minste zes maanden op basis van een voorlopig rijbewijs model
1, van ten minste negen maanden op basis van een voorlopig rijbewijs model 3 of
van ten minste twaalf maanden op basis van een leervergunning;
3° geslaagd zijn voor een praktische proef voor de categorie B, B+E, C, C+E, D
of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E na de opleiding bedoeld in
artikel 4, 7°.
Art. 30. Elke vrijstelling van het theoretische examen en van het praktische
examen wordt op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om een voorlopig
rijbewijs of op de aanvraag om een leervergunning vermeld door de overheid
bedoeld in het artikel 7.
Afdeling IV. - Theoretisch examen
Art. 31. Het theoretische examen bepaald in de artikelen 23, ¢ 1, 4° en 38 van
de wet heeft betrekking op de stof die in bijlage 4 wordt opgesomd.
Het wordt afgelegd in de vorm van een audiovisueel examen.
Het theoretische examen wordt beoordeeld en verbeterd zoals aangeduid in
bijlage 4.
De inschrijving voor het theoretische examen gebeurt volgens de regels en op de
wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.
Art. 32. ¢ 1. De minimumleeftijd om deel te nemen aan het theoretische examen
is vastgesteld op drie maanden vóór de leeftijd bepaald in artikel 6, 1°, h).
De leeftijd is evenwel vastgesteld op :
- 3 maanden vóór de leeftijd van 17 jaar, voor het examen voor het verkrijgen
van een leervergunning;
- 17 jaar voor het examen, afgelegd door de kandidaten die de opleiding volgen
bedoeld in artikel 4, 7°.
¢ 2. Om aan het examen deel te nemen, legt de kandidaat een van de documenten
voor die opgesomd zijn in artikel 3, ¢ 1.
De kandidaat voor de leervergunning legt eveneens een getuigschrift van
theoretisch onderricht voor.
¢ 3. De kandidaat die, noch het Frans, noch het Nederlands, noch het Duits
machtig is, mag het theoretische examen afleggen, bijgestaan door een tolk die
onder de beëdigde vertalers wordt gekozen door het examencentrum en door dit
laatste wordt vergoed.
Deze examens mogen derwijze georganiseerd worden dat meerdere kandidaten die
eenzelfde taal of idioom spreken en verstaan, kunnen samengebracht worden; het
examen mag niet meer dan twee maanden na de inschrijving plaatshebben.
Als het examen georganiseerd wordt in de taal van de kandidaat, kan deze
laatste kandidaat niet genieten van de procedure die voorgeschreven is in het
eerste lid.
¢ 4. De kandidaat schikt zich naar de aanwijzingen die hem tijdens het examen
worden gegeven.
De kandidaat die door woorden of anderszins de orde verstoort, die betrapt
wordt op bedrog of op poging tot bedrog, mislukt en wordt terstond uit de zaal
verwijderd.
¢ 5. De kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad
van alfabetisme ontoereikend is, kunnen, op hun verzoek, het examen afleggen in
een speciale zitting waarvan de nadere regels goedgekeurd zijn door de Minister
of zijn gemachtigde.
De betrokkene levert het bewijs dat hij zich in een van deze gevallen bevindt
door het overleggen van, inzonderheid, een getuigschrift of attest van een
psychisch-medisch-sociaal centrum, een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, een instituut voor buitengewoon onderwijs, een centrum voor observatie
of begeleiding of een centrum voor beroepsoriëntering.
De kandidaten die ten minste vijfmaal niet slaagden voor het theoretische
examen kunnen eveneens, op hun verzoek, dit examen in een speciale zitting
afleggen.
¢ 6. Na twee opeenvolgende niet geslaagde theoretische examens, mag de
kandidaat slechts een nieuw theoretisch examen afleggen op vertoon van een
getuigschrift van theoretisch onderricht afgegeven door een rijschool.
De in het eerste lid voorgeschrevene verplichting is niet van toepassing op :
1° de kandidaten bedoeld in het artikel 4, 5°, 6° en 7°;
2° de kandidaten die een attest van een keel-, neus- en oorarts voorleggen
waarin bevestigd wordt dat ze een zodanige gehoorhandicap hebben dat ze het
onderricht bedoeld in het eerste lid niet in normale omstandigheden kunnen
volgen.
¢ 7. De examinator of de aangestelde van de instelling bevestigt het slagen
voor het theoretische examen op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om
een voorlopig rijbewijs of op de aanvraag om een leervergunning.
De aanvraag om een rijbewijs mag aan de kandidaat bedoeld in artikel 4, 7°
slechts afgegeven worden op vertoon van het bewijs dat deze laatste met vrucht
de in dit artikel bedoelde opleiding heeft gevolgd.
Afdeling V. - Praktisch examen
Art. 33. Het praktische examen voorgeschreven in de artikelen 23, ¢ 1, 2° en 38
van de wet slaat op de proeven opgesomd in bijlage 5, I en II. Het omvat, voor
iedere categorie en subcategorie van voertuigen, de hantering van de
bedieningsorganen en de manoeuvres die voorgeschreven zijn in bijlage 5, I, a)
en b).
Het examen wordt afgelegd met een voertuig van de categorie of subcategorie
waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd.
Het examen wordt beoordeeld op de wijze aangeduid in bijlage 5, III.
De inschrijving voor het praktische examen gebeurt volgens de regels en op de
wijze goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde.
Art. 34. Om toegelaten te worden tot het praktische examen moet de kandidaat
sinds minder dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretische examen of ervan
vrijgesteld zijn krachtens artikel 28.
Het praktische examen kan binnen het volgende tijdsbestek plaatsvinden :
1° In geval van scholing met een voorlopig rijbewijs :
a) op zijn vroegst één maand na de afgifte van dat bewijs, behalve in geval van
een examen voor het behalen van een rijbewijs van de categorie B;
b) in geval van een examen voor het behalen van een rijbewijs van de categorie
B :
- op zijn vroegst zes maanden na afgifte van het voorlopige rijbewijs als het
om een bewijs volgens model 1 gaat;
- op zijn vroegst drie maanden na afgifte van het voorlopige rijbewijs als het
om een bewijs volgens model 2 gaat;
- op zijn vroegst negen maanden na afgifte van het voorlopige rijbewijs als het
om een bewijs volgens model 3 gaat;
2° In geval van scholing met een leervergunning, op zijn vroegst twaalf maanden
na afgifte van die leervergunning.
Art. 35. Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van
een rijbewijs geldig voor de categorie A3, A, B of B+E, legt de kandidaat voor
:
1° één der documenten bedoeld in artikel 3, ¢ 1;
2° een van de hierna opgesomde documenten :
a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor of
vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht.
In dit geval, legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht,
afgegeven door een rijschool, voor of het Europese rijbewijs of het
buitenlandse rijbewijs bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van de wet, waarvan hij
houder is.
De aanvraag omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, ¢ 1 of is
vergezeld van, naargelang het geval, een of twee van de attesten voorgeschreven
in de artikelen 41, ¢¢ 2 en 3 of 45, tweede lid.
Elke kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B, die onderworpen
is aan de scholing, legt bovendien een attest van de overheid bedoeld in
artikel 7 waaruit blijkt dat hij een scholing heeft gevolgd op basis van een
voorlopig rijbewijs afgegeven na 31 december 1988 of van een leervergunning;
b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.
Het voorlopige rijbewijs model 1 of model 2 is vervolledigd met de vermelding
dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°, g) gevolgd zijn.
Het voorlopige rijbewijs model 3 is vervolledigd met de vermelding dat de
lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°, e) of 2°, a) gevolgd
zijn;
c) de nog geldige leervergunning.
De leervergunning is vervolledigd met de vermelding dat de lesuren,
voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°, j) gevolgd zijn;
d) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de opleiding gevolgd
heeft, bedoeld in artikel 4, 6°;
3° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het
voertuig waarmee hij zich aanbiedt;
4° behalve wanneer het gaat om een voertuig van de categorie A3, het
inschrijvingsbewijs van het voertuig en het groene keuringsbewijs van het
voertuig als dat onderworpen is aan de technische controle en, in voorkomend
geval, van de aanhangwagen;
5° in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3° en 4° voor het
voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, ¢ 4;
6° het gelijkvormigheidsattest voor het voertuig van de categorie A3;
7° het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor de categorie B of voor een
gelijkwaardige categorie, indien het een kandidaat betreft voor een rijbewijs
geldig voor de categorie B+E;
8° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider,
geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats
heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in het
artikel 39, ¢ 4, alsook het document bedoeld in artikel 3, ¢ 1 waarvan de
begeleider of de bestuurder houder is.
Art. 36. Om toegelaten te worden tot het praktische examen voor het behalen van
een rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie
C1, C1+E, D1 of D1+E legt de kandidaat voor :
1° een der documenten bedoeld in artikel 3, ¢ 1;
2° het Belgische of Europese rijbewijs, geldig voor ten minste de categorie B
of voor een gelijkwaardige categorie. De kandidaat voor het rijbewijs, geldig
voor de categorie C+E of D+E of voor de subcategorie C1+E of D1+E legt het
Belgische of Europese rijbewijs voor, geldig voor het besturen van het
trekkende voertuig.
Het rijbewijs mag evenwel vervangen worden door een attest afgegeven door de
griffier van de rechtbank waar het rijbewijs bewaard wordt in toepassing van
artikel 69;
3° een van de hierna opgesomde documenten :
a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van slagen voor of de
vrijstelling van het theoretische examen is aangebracht.
In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht,
afgegeven door een rijschool voor of het Europese rijbewijs of het buitenlandse
rijbewijs bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van de wet, waarvan hij houder is.
De aanvraag is vergezeld van het attest voorgeschreven in artikel 44, ¢ 5,
behalve als de kandidaat houder is van een geldig rijbewijs waarvoor voor het
behalen ervan dit attest reeds voorgelegd werd;
b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.
Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vervolledigd met de
vermelding dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 2°, a),
gevolgd zijn;
c) een attest waarin bevestigd wordt dat de kandidaat de opleiding gevolgd
heeft, bedoeld in artikel 4, 6°;
4° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het
voertuig waarmee hij zich aanbiedt;
5° het inschrijvingsbewijs van het voertuig en, in voorkomend geval, van de
aanhangwagen;
6° het groene keuringsbewijs van het voertuig, als dit onderworpen is aan de
technische controle en, in voorkomend geval, van de aanhangwagen;
7° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider,
geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen wordt
afgelegd alsook het document bedoeld in artikel 3, ¢ 1 waarvan de begeleider
houder is.
Art. 37. Om toegelaten te worden tot het praktische examen met het oog op de
opheffing van de vermelding « automatisch » die voorkomt op zijn rijbewijs,
legt de kandidaat voor :
1° een der documenten bedoeld in artikel 3, ¢ 1;
2° een van de hierna opgesomde documenten :
a) de aanvraag om een rijbewijs waarop het attest van vrijstelling van het theoretische
examen is aangebracht.
In dit geval legt de kandidaat een getuigschrift van praktisch onderricht voor,
afgegeven door een rijschool.
De aanvraag voor het verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie A, B
of B+E omvat de verklaring voorgeschreven in artikel 41, ¢ 1 of moet,
naargelang het geval, vergezeld zijn van een of de attesten voorgeschreven in
de artikelen 41, ¢¢ 2 en 3 en 45, tweede lid; bij de aanvraag voor het
verkrijgen van een rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor
de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E wordt het attest, voorgeschreven in
artikel 44, ¢ 5, gevoegd, behalve als de kandidaat houder is van een geldig
rijbewijs, waarvoor, voor het verkrijgen ervan, dit attest reeds voorgelegd
werd;
b) het nog geldige voorlopige rijbewijs.
Het voorlopige rijbewijs is, in voorkomend geval, vervolledigd met de
vermelding dat de lesuren, voorgeschreven in artikel 15, tweede lid, 1°, e),
gevolgd zijn;
3° het verzekeringsbewijs inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor het
voertuig waarmee hij zich aanbiedt;
4° het inschrijvingsbewijs van het voertuig;
5° het groene schouwingsbewijs van het voertuig indien dit is onderworpen aan
de technische controle;
6° in voorkomend geval, de documenten voorgeschreven in 3°, 4° en 5° voor het
voertuig van de categorie B, bedoeld in artikel 39, ¢ 4;
7° het Belgische of Europese rijbewijs met de vermelding « automatisch »
waarvan hij houder is;
8° in voorkomend geval, het Belgische of Europese rijbewijs van de begeleider,
geldig voor het besturen van het voertuig waarmee het praktische examen plaats
heeft of van de bestuurder van het voertuig van de categorie B, bedoeld in
artikel 39, ¢ 4, alsook het document bedoeld in artikel 3, ¢ 1 van de
begeleider of de bestuurder.
Art. 38. ¢ 1. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3 legt
het praktische examen af met een bromfiets klasse B.
De voertuigen met meer dan twee wielen dienen uitgerust te zijn met een
achteruitrijstand.
Het praktische examen mag niet afgenomen worden met een driewielige bromfiets
met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen
de middens van de contactvlakken van de wielen met de grond kleiner is dan 0,46
m.
¢ 2. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A legt het
praktische examen af met een motorfiets die beantwoordt aan een van de volgende
eisen :
1° een motorfiets zonder zijspan met een cilinderinhoud van meer dan 120 cm3
en een minimum vermogen van 20 kW en een maximum vermogen van 25 kW en die op
een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt;
2° een motorfiets zonder zijspan met een vermogen van ten minste 35 kW en een
vermogen/gewichtsverhouding van meer dan 0,16 kW/kg en die op een horizontale
weg een snelheid van ten minste 120 km/u bereikt.
De kandidaat die de leeftijd van 21 jaar niet bereikt heeft en de houder van
een voorlopig rijbewijs met de vermelding « A H 25 kW of H 0,16 kW/kg » leggen
het examen af met een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in
1°.
De kandidaat moet ten minste uitgerust zijn met handschoenen, een vest met
lange mouwen en een lange broek of een overall alsook met laarzen of bottines
die de enkel beschermen.
¢ 3. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B legt het
praktische examen af met een vierwielig voertuig van deze categorie met ten
minste vier plaatsen, voorzien van een cabine, dat een snelheid van ten minste
100 km/u bereikt op een horizontale weg.
Het voertuig moet voor- en achteraan met veiligheidsgordels uitgerust zijn.
¢ 4. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B+E legt het
praktische examen af met een samenstel bestaande uit een voertuig van de
categorie B, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in ¢ 3 en een
aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten minste 1.000 kg, met een
lengte van ten minste 9 m en dat niet onder de categorie B valt, en een
snelheid van ten minste 100 km/u bereikt op een horizontale weg.
De kast van de aanhangwagen moet een breedte hebben van ten minste 1,6 m en een
hoogte van ten minste 1,5 m, berekend vanaf de grond en voorzien zijn van een
gesloten koetswerk of huif.
¢ 5. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C legt het
praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie C waarvan de
maximale toegelaten massa ten minste 12.000 kg en de lengte ten minste 9 m
bedraagt en dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale
weg.
Het voertuig moet voorzien zijn van een gesloten koetswerk of huif en van een
tachograaf.
Het voertuig moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is
aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De examinator kan,
indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet
bestaan uit ADR produkten, noch uit levende dieren of uit produkten die
misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn.
¢ 6. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C+E legt het
praktische examen af met een voertuig dat beantwoordt aan de in 1° of in 2°
gestelde eisen :
1° geleed voertuig met een gesloten koetswerk of huif, waarvan de maximale
toegelaten massa ten minste 18.000 kg en de lengte ten minste 14 m bedraagt en
dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg. Het
voertuig moet voorzien zijn van een tachograaf;
2° samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie C, dat beantwoordt
aan de voorwaarden gesteld in ¢ 5, en een aanhangwagen, voorzien van een
gesloten koetswerk of huif, met een lengte van ten minste 5 m, dat een maximale
toegelaten massa van ten minste 18.000 kg en een lengte van ten minste 14 m
heeft en dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale
weg.
Het voertuig en het samenstel bedoeld in 1° en 2° moeten een lading hebben waarvan
het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van
het voertuig of van het samenstel. De examinator kan, indien nodig, overgaan
tot een weging van het voertuig of van het samenstel. De lading mag niet
bestaan uit ADR produkten, noch uit levende dieren of uit produkten die
misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en, in het
in 2° bedoeld geval, verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de
aanhangwagen.
¢ 7. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D legt het
praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie D waarvan de
lengte ten minste 10 m bedraagt en dat een snelheid bereikt van ten minste 80
km/u op een horizontale weg.
Het voertuig moet uitgerust zijn met een tachograaf.
¢ 8. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D+E legt het
praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de
categorie D dat beantwoordt aan de in ¢ 7 voorgeschrevene voorwaarden en een
aanhangwagen voorzien van een gesloten koetswerk of huif, met een maximale
toegelaten massa van ten minste 1.500 kg, dat een lengte van ten minste 14 m
heeft en dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale
weg.
¢ 9. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de subcategorie C1 legt het
praktische examen af met een voertuig van de subcategorie C1 waarvan de
maximale toegelaten massa ten minste 5.500 kg en de lengte ten minste 5,5 m
bedraagt en dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale
weg.
Het voertuig moet voorzien zijn van een gesloten koetswerk of huif en van een
tachograaf.
Het voertuig moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is
aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De examinator kan,
indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet
bestaan uit ADR produkten, noch uit levende dieren of uit produkten die
misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn.
¢ 10. De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de subcategorie C1+E legt het
praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de
subcategorie C1, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in ¢ 9, en een
aanhangwagen, voorzien van een gesloten koetswerk of huif, met een maximale
toegelaten massa van ten minste 2.500 kg, dat een lengte van ten minste 9 m
heeft en een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg.
Het samenstel moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is
aan de helft van het nuttige laadvermogen van het samenstel. De examinator kan,
indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet
bestaan uit ADR produkten, noch uit levende dieren of uit produkten die
misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en verdeeld
zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen.
¢ 11. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de subcategorie D1 legt het
praktische examen af met een voertuig van de subcategorie D1, dat een snelheid
van ten minste 80 km/u bereikt op een horizontale weg.
Het voertuig moet uitgerust zijn met een tachograaf.
¢ 12. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de subcategorie D1+E legt het
praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de subcategorie
D1, dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in ¢ 11, en een aanhangwagen,
voorzien van een gesloten koetswerk of huif, met een maximale toegelaten massa
van ten minste 1.500 kg, dat een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt op een
horizontale weg.
¢ 13. De kandidaat bedoeld in artikel 37 legt het praktische examen af met een
voertuig dat uitgerust is met een handschakeling.
De kandidaat die, wegens lichamelijke gebreken, slechts bepaalde types van
voertuigen of aangepaste voertuigen mag besturen, legt het praktische examen af
met een dergelijk voertuig. Hij mag, in voorkomend geval, het examen afleggen
met een voertuig dat niet beantwoordt aan de in dit artikel gestelde normen. De
kenmerken waaraan het voertuig moet voldoen komen op het attest bedoeld in
artikel 44, ¢ 5 of in artikel 45, tweede lid.
¢ 14. De kandidaat die zich aanbiedt met een rijschool en de houder van een
voorlopig rijbewijs model 2, leggen het praktische examen af met een
scholingsvoertuig van de rijschool, waar zij het praktische onderricht volgden
en dat beantwoordt aan de voorwaarden voorgeschreven in het koninklijk besluit
van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor
het besturen van motorvoertuigen.
De houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 of van een
leervergunning legt het praktische examen af met een voertuig dat beantwoordt
aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 6, 2° en 10, 2° of van een
scholingsvoertuig van de rijschool waar zij het praktische onderricht volgden.
Evenwel, de houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 of van een
leervergunning die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen, legt
het praktische examen af onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.
Art. 39. ¢ 1. Het praktische examen bestaat uit twee delen :
1° een proef op een terrein buiten het verkeer;
2° een proef op de openbare weg in het verkeer; de kandidaten voor het
rijbewijs geldig voor de categorie A3 zijn ervan vrijgesteld.
De duur van de proef op een terrein buiten het verkeer is maximum drie minuten
per manoeuvre en maximum vijftien minuten voor het geheel van de manoeuvres
voor de categorieën A3, A, B en B+E en minimum vijtien minuten voor de
categorieën C, C+E, D en D+E en voor de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E; de
duur van de proef op de openbare weg mag niet minder zijn dan vijfentwintig
minuten voor de categorieën A, B en B+E en vijfenveertig minuten voor de
categorieën C, C+E, D en D+E en voor de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E.
¢ 2. Om toegelaten te worden tot de proef op de openbare weg, moet de kandidaat
geslaagd zijn voor de proef op een terrein buiten het verkeer; het slagen voor
deze proef blijft een jaar geldig tenzij de kandidaat voor het rijbewijs geldig
voor de categorie C+E zich voor de proef op de openbare weg aanbiedt met een
geleed voertuig bedoeld in artikel 38, ¢ 6, eerste lid, 1° terwijl het examen
op een terrein buiten het verkeer is afgelegd met een samenstel van voertuigen
bedoeld in artikel 38, ¢ 6, eerste lid, 2° en omgekeerd.
Dit slagen wordt vermeld op de aanvraag om een rijbewijs, op de leervergunning
of op het voorlopige rijbewijs.
Bij het slagen voor een van de twee proeven met een voertuig uitgerust met een
automatische schakeling, wordt het volledige examen geacht afgelegd te zijn met
dit type van voertuig.
¢ 3. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig dat niet tot de
categorie A behoort, moet, naast de examinator, de instructeur van de rijschool
of de begeleider bij de scholing in het voertuig plaatsnemen.
Indien het voertuig behorend tot de categorie C, C+E, D of D+E of de
subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, bestemd is voor het vervoer van ten hoogste
twee personen, de bestuurder inbegrepen, neemt alleen de examinator in het
voertuig plaats.
Behalve de personen bedoeld in het eerste lid en de tolk bedoeld in ¢ 8, mogen
enkel de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide personen in het
voertuig plaatsnemen.
¢ 4. Tijdens de proef op de openbare weg met een voertuig van de categorie A
neemt de examinator plaats in een voertuig dat tot de categorie B behoort en
dat de kandidaat volgt; hij deelt zijn onderrichtingen mee aan de kandidaat bij
middel van een radio-inrichting.
Buiten de bestuurder van het voertuig, de tolk bedoeld in ¢ 8 en de examinator
mogen alleen personen aangeduid door de Minister of zijn gemachtigde
plaatsnemen in het voertuig dat de kandidaat volgt.
¢ 5. De examinator weigert het examen af te nemen indien hij vaststelt dat de
kandidaat bedoeld in artikel 38, ¢ 2, derde lid niet over de voorgeschrevene
uitrusting beschikt of indien het voertuig geen voldoende veiligheid biedt of
niet beantwoordt aan de voorschriften van dit besluit.
Hij beëindigt het examen wanneer de kandidaat onbekwaam is om te sturen of op
een gevaarlijke manier stuurt, in geval van tussenkomst van de instructeur of
de begeleider of indien de bestuurder van het voertuig van de categorie B
bedoeld in ¢ 4 onbekwaam is om te sturen of op een gevaarlijke manier stuurt of
zijn onderrichtingen niet opvolgt.
¢ 6. De examinator vermeldt op de beoordelingsstaat, voor elk van de genoemde
proeven, de door hem toegekende beoordeling alsook de daaruitvolgende
beslissing dat de kandidaat geslaagd of uitgesteld is overeenkomstig de
criteria vermeld in bijlage 5, III.
¢ 7. De examinator bevestigt op de aanvraag om een rijbewijs, het slagen van de
kandidaat voor het praktische examen met vermelding van de categorie van het
voertuig waarmee hij het examen heeft afgelegd en van de datum ervan. In
voorkomend geval vermeldt hij dat het examen werd afgelegd met een voertuig
bedoeld in artikel 38, ¢ 13. In het geval bedoeld in artikel 48, ¢ 2, wordt het
slagen voor het praktische examen vermeld op de aanvraag om een rijbewijs door
de overheid bedoeld in artikel 7.
Na een eerste of een tweede niet geslaagd examen, brengt de examinator op het
voorlopige rijbewijs of op de leervergunning de vermelding « niet geslaagd »
aan, de datum van het examen, zijn naam, zijn handtekening en de stempel van
het examencentrum.
¢ 8. De kandidaat, die, noch de Franse, noch de Nederlandse, noch de Duitse
taal machtig is, kan zich op eigen kosten laten bijstaan door een tolk gekozen
uit de beëdigde vertalers.
Afdeling VI. - Geneeskundig onderzoek
Art. 40. De lichaamsgebreken en aandoeningen bedoeld in artikel 23, ¢ 1, 3° van
de wet zijn bepaald in bijlage 6.
Art. 41. ¢ 1. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3, A, B
of B+E ondertekent op de aanvraag om een rijbewijs, op de aanvraag om een
voorlopig rijbewijs of op de aanvraag om een leervergunning, een verklaring
waarin hij op zijn woord van eer bevestigt, bij zijn weten niet te lijden aan
een van de in bijlage 6, voorgeschreven voor de groep 1, genoemde
lichaamsgebreken of aandoeningen. Deze verklaring omvat een gedeelte
betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid en een gedeelte
betreffende het gezichtsvermogen.
Elke kandidaat die geen houder is van een Belgisch of Europees rijbewijs, moet
bij het theoretische examen een leestest afleggen voor de examinator of de
aangestelde bedoeld in artikel 25, ¢ 1, volgens de nadere regels die
gezamenlijk door de Minister en door zijn collega tot wiens bevoegdheid
Volksgezondheid behoort, worden bepaald.
¢ 2. De kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring
betreffende de algemene lichamelijke en psychische geschiktheid niet kan
ondertekenen, ondergaat een onderzoek bij een vrij gekozen geneesheer. De
geneesheer vraagt, in voorkomend geval, het verslag van een geneesheer
specialist overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6.
Behalve in het geval bedoeld in artikel 45, oordeelt de geneesheer of de
kandidaat voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage 6, I, II, IV en V en
stelt het attest op zoals bedoeld in bijlage 6, VII.
¢ 3. De kandidaat die oordeelt dat hij het gedeelte van de verklaring
betreffende het gezichtsvermogen niet kan ondertekenen of die niet voldoet bij
de leestest bedoeld in ¢ 1, ondergaat een onderzoek bij een vrij gekozen
oogarts.
De oogarts oordeelt of de kandidaat voldoet aan de criteria vastgesteld in
bijlage 6, III en stelt het attest op zoals bedoeld in bijlage 6, VIII.
¢ 4. Indien de geneesheer bedoeld in ¢¢ 2 en 3 oordeelt dat de toelating tot
sturen moet afhankelijk gesteld worden van bepaalde voorwaarden of beperkingen
bij het gebruik van het rijbewijs, maakt hij daarvan melding op het attest
uitgereikt aan de kandidaat in de vorm van de codes, zoals voorgeschreven in
bijlage 7.
Art. 42. De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of
D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E moet een onderzoek ondergaan
dat vaststelt of hij voldoet aan de normen voorgeschreven in bijlage 6 voor de
groep 2.
Het onderzoek wordt ondergaan overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel
44.
Art. 43. Worden eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te
ondergaan, de houders, van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de
categorie A, B of B+E of voor een gelijkwaardige categorie, wanneer ze
beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 3, ¢ 1 en zij een voertuig bestemd
voor een van de hierna genoemde vervoersdiensten besturen :
1° de diensten voor geregeld, bijzondere vormen van geregeld en ongeregeld
vervoer, respectievelijk bedoeld in de artikelen 3, 11 en 14 van de besluitwet
van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg
met autobussen en met autocar;
2° de taxidiensten bedoeld in artikel 1, ¢ 1 van de wet van 27 december 1974
betreffende de taxidiensten;
3° de verhuurdiensten met chauffeur bedoeld in artikel 1 van het koninklijk
besluit van 19 maart 1975 betreffende de diensten voor het verhuren van
voertuigen met chauffeur;
4° het vervoer van personeel georganiseerd en uitgebaat door een werkgever met
eigen, gehuurd of in leasing genomen materieel en op eigen
verantwoordelijkheid;
5° het vervoer georganiseerd en uitgebaat door fysieke of rechtspersonen ten
behoeve van hun cliënteel;
6° de ambulance- en vervoerdiensten georganiseerd ten behoeve van hospitalen,
klinieken, rust-, verzorgings- en hersteltehuizen, inrichtingen voor
gerechtelijke plaatsing van minderjarigen en medisch-pedagogische instellingen;
7° het bezoldigde leerlingenvervoer.
De instructeurs van de rijscholen die het praktische onderricht voorgeschreven
in artikel 15 verstrekken, zijn eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in
artikel 42 te ondergaan.
Art. 44. ¢ 1. Het onderzoek bedoeld in artikel 42 wordt afgelegd voor een
geneesheer van een medisch centrum van de Sociaal-Medische Rijksdienst.
De aanvrager legt een verklaring voor waarin hij op zijn woord van eer
bevestigt, bij zijn weten niet aangetast te zijn door een aandoening die het
normaal besturen van een voertuig, zelfs tijdelijk, zou kunnen verhinderen of
belemmeren en deelt het resultaat mee dat hij bekwam bij een eventueel vorig
geneeskundig onderzoek. Het model van deze verklaring komt voor in bijlage 6,
IX.
Hij legt bovendien het verslag voor van een oogarts waarvan het model bepaald
is in bijlage 6, X.
¢ 2. Als de geneesheer van de Sociaal-Medische Rijksdienst besluit tot de
ongeschiktheid van de kandidaat of de beslissing laat afhangen van voorwaarden
of beperkingen, kan deze laatste een beroep instellen bij die dienst. Het
beroep wordt ingeleid bij ter post aangetekende brief,
binnen de tien werkdagen na de betekening van de beslissing. De verzoeker wijst
in deze brief de geneesheer aan die hem tijdens de procedure zal bijstaan.
De Sociaal-Medische Rijksdienst deelt zonder verwijl aan die geneesheer de
medische gegevens mee die de beslissing hebben gemotiveerd.
Binnen de tien werkdagen, volgend op de mededeling van het dossier, kan de
geneesheer aangewezen door de verzoeker :
1° hetzij zijn akkoord betuigen met de beslissing;
2° hetzij een tegensprekelijke raadpleging vragen met de geneesheer die de
beslissing heeft genomen of, bij verhindering, met zijn plaatsvervanger;
3° hetzij een rapport neerleggen waarin de argumenten die de beslissing
motiveerden, weerlegd worden.
In geval van akkoord tussen de onderzoekende geneesheer en deze die door de
verzoeker werd gekozen, wordt de beslissing dienovereenkomstig gehandhaafd of gewijzigd.
Indien de twee geneesheren het onderling niet eens kunnen worden, wordt een
arbitrageonderzoek gedaan door de hoofdgeneesheer van de Sociaal-Medische
Rijksdienst of door zijn gemachtigde, die de verzoeker nog niet heeft
onderzocht tijdens het geneeskundig onderzoek of de tegensprekelijke
raadpleging. Bij het arbitrageonderzoek mag de verzoeker zich laten bijstaan
door de door hem gekozen geneesheer.
Na afloop van het arbitrageonderzoek is de beslissing daaromtrent definitief.
¢ 3. De verzoeker betaalt voor elk onderzoek de retributie die vastgesteld
wordt door de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociaal-Medische Rijksdienst
behoort alsook, in voorkomend geval, de honoraria en kosten van de geneesheer
die hij gekozen heeft om hem bij te staan bij de beroepsprocedure.
¢ 4. In afwijking van de bepalingen van ¢ 1, kan het onderzoek bedoeld in
artikel 42 afgelegd worden voor :
1° een geneesheer van een erkende Arbeidsgeneeskundige Dienst. Wanneer de
Arbeidsgeneesheer tot de ongeschiktheid van de kandidaat besluit of de
beslissing laat afhangen van voorwaarden of beperkingen kan beroep ingesteld
worden volgens de bepalingen betreffende de beslissingen van de
Arbeidsgeneesheer voorgeschreven in het Algemeen Reglement voor de
arbeidsbescherming;
2° een geneesheer van het « Office communautaire et Régional de la Formation
professionnelle et de l'Emploi », van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling
en Beroepsopleiding of van het « Institut bruxellois francophone pour la
formation professionnelle »;
3° een geneesheer van de medische dienst van het leger;
4° een geneesheer van een psycho-medisch-sociaal centrum;
5° een geneesheer van de medische dienst van de rijkswacht.
De aanvrager legt aan de onderzoekende geneesheer de verklaring voor, zoals
voorgeschreven in ¢ 1, tweede lid.
¢ 5. De in ¢¢ 1 en 4 bedoelde geneesheer levert aan de aanvrager een attest af,
overeenkomstig het in bijlage 6, XI voorgeschreven model.
Indien de geneesheer oordeelt dat de toelating tot sturen moet afhankelijk
gesteld worden van de verplichting om bepaalde types van voertuigen of om een
speciaal aangepast voertuig of om een voertuig uitgerust met een automatische
schakeling te gebruiken of van bepaalde voorwaarden of beperkingen bij het
gebruik van het rijbewijs, maakt hij daarvan melding op het attest uitgereikt
aan de kandidaat, in de vorm van de codes,bepaald in bijlage 7.
Het attest is vijf jaar geldig; deze geldigheid wordt echter teruggebracht tot
drie jaar voor de bestuurders die de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt.
Bovendien verstrijkt de geldigheid van het attest afgegeven aan een bestuurder
die de leeftijd van 50 jaar nog niet heeft bereikt, ten laatste op het ogenblik
dat hij de leeftijd van 53 jaar bereikt. Evenwel, kan het attest dan afgegeven
worden voor een kortere geldigheidsduur overeenkomstig de bepalingen van
bijlage 6.
Art. 45. Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, ¢ 2 en 44, ¢¢ 1 en 4
een vermindering van de functionele vaardigheden van een kandidaat of van een
bestuurder vaststelt tengevolge van een aantasting van het musculo - skelettaal
systeem, van een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel of
van elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische
controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en beoordelingsvermogen, verwijst
hij de aanvrager door naar een centrum aangeduid door de Minister en belast met
het bepalen van de rijgeschiktheid van de bestuurders alsook de eventuele
aanpassingen die aan het voertuig moeten aangebracht worden en, in voorkomend
geval, de voorwaarden of de beperkingen aan het gebruik van het rijbewijs.
De geneesheer van het centrum maakt het attest op bepaald in bijlage 6, XII
wanneer het gaat om een kandidaat bedoeld in artikel 41, ¢ 1; hij deelt zijn
conclusies mee aan de geneesheer bedoeld in artikel 44, ¢¢ 1 of 4 als het gaat
om een kandidaat bedoeld in de artikelen 42 en 43.
Art. 46. ¢ 1. Indien de geneesheer bedoeld in de artikelen 41, ¢ 2, 44, ¢¢ 1 en
4 en 45 vaststelt dat de houder van een rijbewijs niet meer beantwoordt aan de
in bijlage 6 vastgestelde geneeskundige normen, moet hij de belanghebbende op
de hoogte stellen van de verplichting om zijn rijbewijs overeenkomstig de
bepalingen van artikel 24 van de wet in te leveren bij de overheid bedoeld in
artikel 7.
¢ 2. De houder van een rijbewijs dat in toepassing van artikel 24 van de wet
werd ingeleverd kan de teruggave verkrijgen indien hij aan de in artikel 7
bedoelde overheid een attest voorlegt waarin bevestigd wordt dat hij opnieuw
geschikt is om een motorvoertuig te besturen van de categorie of subcategorie
waarvoor het rijbewijs geldig is.
Het attest bedoeld in het eerste lid wordt opgemaakt overeenkomstig de
bepalingen van de artikelen 41, ¢¢ 2 en 3, 44 en 45.
Indien de handicap van de houder een voertuig vereist dat speciaal aan zijn
handicap is aangepast of gebruiksbeperkingen noodzakelijk maakt, zal daarvan
melding gemaakt worden op het rijbewijs.
Indien het attest hem slechts het besturen toelaat van sommige categorieën of
subcategorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs werd geldig verklaard,
bekomt hij zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw
theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen, een nieuw rijbewijs alleen
geldig voor de categorieën of subcategorieën waarvoor hij tot het besturen
ervan geschikt is. De procedure van artikel 49 is van toepassing.
Afdeling VII. - Beroep in geval van niet slagen voor het praktische examen
Art. 47. ¢ 1. Er wordt een beroepscommissie opgericht die uitspraak moet doen
over de beroepen in verband met het niet slagen voor het praktische examen.
Deze commissie telt vijf commissarissen, politierechters of vrederechters die
gedurende ten minste vijf jaar een politierechtbank hebben voorgezeten. Ze
worden aangesteld door de Minister voor een termijn van twee jaar. Dit mandaat
kan hernieuwd worden.
De Minister duidt, onder de commissarissen, een voorzitter en een
vice-voorzitter aan.
¢ 2. De functie van commissaris is onverenigbaar met elke betrekking of met
elke functie in een rijschool of in een instelling belast met de controle van
de in het verkeer gebrachte voertuigen.
De commissaris moet zich onbevoegd verklaren bij elk beroep ingeleid door een
bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad.
¢ 3. De commissie zetelt op geldige wijze wanneer drie van haar leden aanwezig
zijn. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of, bij zijn
afwezigheid, deze van de vice-voorzitter of, bij ontstentenis, deze van de
oudste commissaris, beslissend.
Het secretariaat van de beroepscommissie wordt uitgeoefend door een gemachtigde
van de Minister. Deze gemachtigde roept de commissie tijdig samen en brengt aan
de commissarissen verslag uit over de ingeleide beroepen, zo nodig na de
noodzakelijke onderzoeken te hebben gedaan; hij woont de debatten bij tijdens
dewelke hij een raadgevende stem heeft.
¢ 4. De commissarissen bekomen een vergoeding ten laste van de Schatkist,
waarvan het bedrag wordt vastgesteld door de Minister.
Zij worden bovendien vergoed voor de kosten die hun opdracht meebrengt,
overeenkomstig de voor het Rijkspersoneel geldende bepalingen. Voor de
toepassing van deze bepalingen worden zij gelijkgesteld met de titularissen van
een graad van de rang 13.
Art. 48. ¢ 1. Na twee mislukkingen in het praktische examen kan beroep worden
ingediend bij de commissie bedoeld in artikel 47. Dit beroep moet ingediend
worden binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de datum van het mislukken.
Dit beroep wordt, bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de
voorzitter van de beroepscommissie. De in artikel 61 voorgeschreven retributie
moet betaald worden op de erin vastgestelde wijze. Zij wordt slechts op
beslissing van de beroepscommissie terugbetaald.
Het beroep, ondertekend door de kandidaat, vermeldt de naam, voornaam en
geboortedatum van deze laatste, alsmede het examencentrum waar het examen werd
afgenomen en de datum daarvan. Het is met redenen omkleed door feiten die
alleen betrekking hebben op de personen en de omstandigheden van plaats, tijd
en procedure waaronder het examen werd afgelegd.
¢ 2. De beroepscommissie verricht alle bijkomende onderzoeken die zij nodig
acht.
Zij beslist dat de kandidaat geslaagd is voor het examen of bevestigt de
mislukking.
Zij kan, in voorkomend geval, de verzoeker machtigen een nieuw examen af te
leggen na afloop van de geldigheidsduur van het voorlopige rijbewijs of van de
leervergunning waarvan de verzoeker houder was; zij bepaalt onder welke
voorwaarden het examen plaats heeft.
HOOFDSTUK V. - Vervanging en duplicaten van het rijbewijs,
van het voorlopige rijbewijs of van de leervergunning
Art. 49. De houder van een rijbewijs die een rijbewijs wenst te verkrijgen
geldig voor één of meerdere andere categorieën of subcategorieën van
motorvoertuigen dan die waarvoor het oorspronkelijke document werd afgegeven,
dient een nieuwe aanvraag in overeenkomstig de in dit besluit beschreven
procedure; hij bekomt een nieuw rijbewijs en het oorspronkelijke document wordt
teruggegeven aan de overheid bedoeld in artikel 7.
Dezelfde procedure is van toepassing op de houder van een rijbewijs waarop de
vermelding « automatisch » voorkomt en die een rijbewijs wenst te behalen
waarop deze vermelding niet voorkomt.
Art. 50. ¢ 1. Een duplicaat van het rijbewijs wordt afgegeven :
1° in geval van verlies of van diefstal van het rijbewijs;
2° als het rijbewijs beschadigd, onleesbaar of teniet gegaan is;
3° als de foto van de houder niet meer gelijkend is;
4° in het geval van intrekking van het rijbewijs door een buitenlandse
overheid;
5° in de gevallen voorgeschreven in de artikelen 69, ¢ 2 en 80, ¢ 2.
De aanvrager moet beantwoorden aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 3,
¢ 1 voor het verkrijgen van een rijbewijs.
¢ 2. Een aanvraag om een duplicaat, waarvan het model bepaald wordt door de
Minister, wordt ingediend bij de overheid bedoeld in artikel 7.
Zij is vergezeld van :
1° een attest van aangifte van verlies of diefstal gedaan bij Belgische
politie- of rijkswachtdiensten indien de ingeroepen reden verlies of diefstal
is. Dit attest, waarvan het model is vastgesteld door de Minister, mag niet
gebruikt worden ter vervanging van het rijbewijs;
2° een attest van de buitenlandse overheid waarin zij verklaart geen nationaal
rijbewijs te hebben afgegeven aan de aanvrager indien de ingeroepen reden de
intrekking van het rijbewijs door deze overheid is;
3° het te vervangen rijbewijs in de andere gevallen.
De aanvrager ondertekent een verklaring waarin hij bevestigt dat hij niet
vervallen is van het recht om een voertuig te besturen van de categorie voor de
welke een duplicaat gevraagd wordt en dat het rijbewijs waarvan hij houder is,
niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een maatregel van onmiddellijke
intrekking.
¢ 3. Een duplicaat van het voorlopige rijbewijs of de leervergunning kan
afgegeven worden voor de redenen bepaald in ¢ 1, eerste lid, 1° en 2° en volgens
de in ¢ 2 beschreven procedure.
¢ 4. Het rijbewijs, het voorlopige rijbewijs of de leervergunning waarvoor een
duplicaat werd afgegeven is niet meer geldig.
Indien de houder, na de afgifte van een duplicaat, opnieuw in het bezit komt
van het kwijtgeraakte document, moet hij dit laatste onmiddellijk teruggeven
aan de overheid bedoeld in artikel 7.
Art. 51. De houder van een Europees rijbewijs beantwoordend aan de voorwaarden
van artikel 27, 2° bekomt, in de gevallen voorgeschreven in artikel 50, ¢ 1,
een Belgisch rijbewijs op basis van de inlichtingen die voorkomen op de
inlichtingenfiche bedoeld in artikel 57 of van een attest van de bevoegde
overheden van de Lid-Staat die het oorspronkelijke rijbewijs hebben afgegeven.
Art. 52. Al wie een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs of een leervergunning
waarvan hij niet de houder is, vindt of onregelmatig bij zich houdt, moet het
document onmiddellijk afgeven aan de overheid bedoeld in artikel 7 of aan het
dichtstbijgelegen politie- of rijkswachtbureau die het terugstuurt aan deze
overheid.
HOOFDSTUK VI. - Het internationale rijbewijs
Art. 53. Het internationale rijbewijs komt overeen met het model voorkomend in
bijlage 7 van het Verdrag inzake het wegverkeer, en Bijlagen, opgemaakt te
Wenen op 8 november 1968.
Het internationale rijbewijs wordt uitgereikt door de overheid bedoeld in
artikel 7 tegen afgifte van een aanvraag om een internationaal rijbewijs,
waarvan het model door de Minister is bepaald.
Art. 54. Het internationale rijbewijs wordt uitgereikt aan de aanvrager die
voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° beantwoorden aan de in artikel 3, ¢ 1 voorgeschreven voorwaarden om een
rijbewijs te verkrijgen, behalve als men lid is van het personeel van de NATO
of van de SHAPE;
2° houder zijn van een Belgisch of Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in
artikel 23, ¢ 2, 1° van de wet;
3° niet vervallen zijn van het recht om voertuigen te besturen van de categorie
waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en, in voorkomend geval, geslaagd zijn
voor de krachtens artikel 38 van de wet opgelegde onderzoeken;
4° de leeftijd bereikt hebben die voorgeschreven is in artikel 18.
Art. 55. De overheid die het internationale rijbewijs uitreikt, maakt het
geldig voor de categorieën waarvoor het rijbewijs bedoeld in artikel 54, 2°
geldig is.
Indien het nationale rijbewijs slechts geldig is voor het besturen van sommige
voertuigen van een bepaalde categorie, wordt het internationale rijbewijs
geldig gemaakt voor de overeenstemmende categorie en draagt het een beperkende
vermelding.
De geldigheidsduur van het internationale rijbewijs kan niet langer zijn dan de
geldigheidsduur van het in artikel 54, 2° bedoelde rijbewijs en is beperkt tot
maximum drie jaar.
Art. 56. In de in artikel 50, ¢ 1, bedoelde gevallen, wordt een nieuw internationaal
rijbewijs uitgereikt op vertoon van een aanvraag om een internationaal
rijbewijs, vergezeld van de documenten bedoeld in artikel 50, ¢ 2, 1° of 3°. De
bepalingen van de artikelen 54 en 55 zijn van toepassing.
Bij het verstrijken van de geldigheid van het internationale rijbewijs wordt
een nieuw document uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 53,
54 en 55.
HOOFDSTUK VII. - Formaliteiten die de overheden
belast met de afgifte van de documenten dienen te vervullen
Art. 57. ¢ 1. Voor elk rijbewijs wordt een inlichtingenfiche gemaakt, waarvan
het model bepaald wordt door de Minister of zijn gemachtigde.
Er wordt eveneens een inlichtingenfiche opgemaakt voor het Europese rijbewijs
waarvan de houder ingeschreven of vermeld is in het bevolkings-, vreemdelingen-
of het wachtregister van een Belgische gemeente of ingeschreven is bij het
Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarom is de belanghebbende ertoe gehouden,
om bij zijn inschrijving in België, het rijbewijs waarvan hij houder is voor te
leggen aan de overheid bedoeld in artikel 7. Een fotokopie van het rijbewijs
wordt bevestigd aan de inlichtingenfiche.
¢ 2. Voor elk voorlopig rijbewijs en voor elke leervergunning wordt er een
voorlopige inlichtingenfiche opgemaakt, waarvan het model bepaald wordt door de
Minister of zijn gemachtigde.
Een voorlopige inlichtingenfiche wordt eveneens opgemaakt voor de personen die
verval van het recht tot sturen oplopen indien er geen fiche bestaat op hun
naam.
Art. 58. ¢ 1. De inlichtingenfiche en de voorlopige inlichtingenfiche bevatten
de volgende gegevens :
1° naam en voornaam van de houder van het document;
2° geboortedatum en geboorteplaats;
3° overheid, datum en plaats van afgifte van het document;
4° nummer van het document;
5° categorie of subcategorie waarvoor het document is afgegeven;
6° per categorie of subcategorie, de datum van afgifte en de uiterste
geldigheidsdatum;
7° bijkomende of beperkende vermeldingen;
8° datum van afgifte van het attest bedoeld in de artikelen 41, 44 of 45 en de
naam en het adres van de geneesheer;
9° vervallenverklaringen van het recht tot sturen bedoeld in artikel 66;
10° datum van afgifte en nummer van het internationale rijbewijs;
11° datum van overlijden van de houder van het document;
12° datum van teruggave van het document in toepassing van artikel 24, 1° van
de wet;
13° datum van het overhandigen van het document in toepassing van artikel 46, ¢
2, eerste lid.
De vermeldingen betreffende de vervallenverklaringen van het recht tot sturen
voorkomend op de voorlopige inlichtingenfiche, worden overgeschreven op de
inlichtingenfiche van het rijbewijs die de voorlopige inlichtingenfiche
vervangt, binnen de beperkingen voorgeschreven in ¢ 2.
¢ 2. De gegevens betreffende de vervallenverklaringen van het recht tot sturen
worden ingeschreven op de inlichtingenfiches en de voorlopige
inlichtingenfiches teneinde controle toe te laten op de naleving door de in
artikel 7 bedoelde overheid van de afgiftevoorwaarden van de voorlopige
rijbewijzen, de leervergunningen, de rijbewijzen en de internationale
rijbewijzen, bepaald in artikel 23, ¢ 1 van de wet en in de artikelen 6, 7 en
54.
De gegevens betreffende de vervallenverklaringen van het recht tot sturen mogen
niet meer voorkomen op de inlichtingenfiches en de voorlopige inlichtingenfiches
in geval van uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten.
Evenwel worden de gegevens betreffende de herstelonderzoeken in het recht tot
sturen behouden tot op de datum van het herstel in het recht tot sturen.
Art. 59. Indien een persoon, op wiens naam een inlichtingenfiche of een
voorlopige inlichtingenfiche bestaat, zich inschrijft of vermeld wordt in het
bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een andere gemeente, wordt de
fiche van de belanghebbende naar de burgemeester van die gemeente of zijn
gemachtigde gezonden; deze laatste vermeldt daarop de nieuwe verblijfplaats
alsook de datum van de inschrijving.
Art. 60. De Minister of zijn gemachtigde bepaalt de bestemming die moet worden
gegeven aan de aanvraagformulieren en de inlichtingenfiches betreffende
overledenen.
HOOFDSTUK VIII. - Retributies
Art. 61. Voor de hierna omschreven verrichtingen dient de ernaast
vermelde retributie te worden betaald :
Afgifte of vervanging van een voorlopig rijbewijs 350 frank
Afgifte van een duplicaat van een voorlopig rijbewijs 300 frank
Afgifte of vervanging van een leervergunning 350 frank
Afgifte van een duplicaat van een leervergunning 300 frank
Afgifte van een rijbewijs 650 frank
Afgifte van een nieuw rijbewijs (artikel 49) 450 frank
Afgifte van een duplicaat van een rijbewijs (artikel 50) 450 frank
Afgifte van een internationaal rijbewijs 650 frank
Omwisseling van een rijbewijs 450 frank
Verzoekschrift aan de beroepscommissie 500 frank
De aanvrager betaalt deze retributie door middel van plakzegels van het type
dat voorgeschreven is voor de inning van zegelrechten.
Zij kunnen niet worden terugbetaald tenzij in het geval bedoeld in artikel 48,
¢ 1.
De Minister kan de bedragen van de retributies aanpassen aan de schommelingen
van het indexcijfer van de consumptieprijzen. In dit geval, vermenigvuldigt hij
het bedrag van de retributies met het indexcijfer van de voorbije maand en
deelt het resultaat door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand
waarin dit besluit in werking is getreden. Hij vermeerdert, in voorkomend
geval, de uitkomst met ten hoogste 25 frank of vermindert het met ten hoogste
24 frank om een veelvoud van 50 te verkrijgen. De aangepaste bedragen treden in
werking de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin ze in
het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt.
Art. 62. ¢ 1. Aan de gemeenten wordt per afgegeven document een som van
honderdvijftig frank uitbetaald.
De Minister kan het bedrag bedoeld in het eerste lid aanpassen aan de
schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. In dit geval,
vermenigvuldigt hij dit bedrag met het indexcijfer van de voorbije maand en
deelt het resultaat door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand
waarin dit besluit in werking is getreden. Hij vermeerdert, in voorkomend
geval, de uitkomst met ten hoogste 25 frank of vermindert het met ten hoogste
24 frank om een veelvoud van 50 te verkrijgen. Het aangepaste bedrag treedt in
werking de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het in
het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
¢ 2. Met het oog op de toepassing van ¢ 1, deelt de burgemeester of zijn
gemachtigde aan de Minister of zijn gemachtigde, het aantal voorlopige
rijbewijzen, leervergunningen, rijbewijzen en duplicaten van deze documenten
mee alsmede het aantal internationale rijbewijzen, die hij afgegeven heeft, met
vermelding van de nummers van vermelde documenten.
Aan die lijst voegt hij de stroken toe van de aanvraagformulieren waarop
fiscale zegels gekleefd zijn en eventueel de onbruikbaar geworden rijbewijzen,
internationale rijbewijzen, voorlopige rijbewijzen en leervergunningen.
Art. 63. ¢ 1. Voor de examens worden de volgende retributies betaald :
Theoretisch examen : 600 frank
Praktisch examen :
categorie A3 400 frank
categorie A, B en B+E :
volledig praktisch examen 1450 frank
praktische proef alleen op de openbare weg 1250 frank
categorieën C, C+E, D en D+E en subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E :
volledig praktisch examen 1800 frank
praktische proef alleen op de openbare weg 1500 frank
Aanvullende retributie :
categorie A indien het centrum instaat voor het voertuig dat volgt 750 frank
theoretisch examen met tolk 2000 frank
theoretisch examen met vertaalde vragen 100 frank
Retributiebijslag voor het praktische examen (art. 63, ¢ 2) :
categorie A3 300 frank
andere categorieën of subcategorieën 1000 frank
Afgifte door de examencentra van een duplicaat van elk document voorgeschreven
door dit besluit 300 frank
In deze bedragen is de belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.
De Minister kan de bedragen van de retributies aanpassen aan de schommelingen
van het indexcijfer van de consumptieprijzen. In dit geval, vermenigvuldigt hij
het bedrag van de retributies met het indexcijfer van de voorbije maand en deelt
het resultaat door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand waarin
dit besluit in werking is getreden. Hij vermeerdert, in voorkomend geval, de
uitkomst met ten hoogste 25 frank of vermindert het met ten hoogste 24 frank om
een veelvoud van 50 te verkrijgen. De aangepaste bedragen treden in werking de
eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin ze in het Belgisch
Staatsblad zijn bekendgemaakt.
De retributies worden voorafgaand aan het examen geïnd.
¢ 2. De retributiebijslag bepaald in ¢ 1 moet betaald worden door :
1° de kandidaat die zich niet aanmeldt voor een praktische proef waarvoor hij
zich heeft laten inschrijven, zonder het examencentrum ten minste twee
werkdagen, de zaterdag niet meegerekend, voor de dag van de proef te
verwittigen.
Die bijslag is verschuldigd voor elke praktische proef waarvoor de kandidaat
nalaat zich aan te melden. De kandidaat kan van het betalen van die bijslag
worden vrijgesteld in geval van overmacht waarover de Minister of zijn
gemachtigde oordeelt;
2° de kandidaat die zich voor het praktische examen heeft gemeld maar die het
niet mocht afleggen om één van de volgende redenen :
a) het voertuig voldeed niet aan de voorschriften van dit besluit of bood geen
voldoende veiligheid;
b) er was niet voldaan aan de vereisten voorgeschreven voor het voorlopige
rijbewijs of voor de leervergunning;
c) de kandidaat was niet in staat te sturen;
d) de kandidaat kon één van de documenten genoemd in de artikelen 35, 36 en 37
niet voorleggen of was niet vergezeld door de begeleider of de instructeur
bedoeld in artikel 39, ¢ 3;
e) de bestuurder van het voertuig van de categorie B bedoeld in artikel 39, ¢
4, was niet in staat om te sturen of het voertuig bood geen voldoende
veiligheid;
f) de kandidaat bedoeld in artikel 38, ¢ 2 beschikte niet over de uitrusting
voorgeschreven in dit artikel;
3° de kandidaat wiens examen onderbroken werd omdat hij niet voldoende
vertrouwd was met de plaats en het gebruik van de bedieningsorganen van het
voertuig.
HOOFDSTUK IX. - Inspectie en controle
Art. 64. De ambtenaren die door de Minister of door zijn gemachtigde worden
belast met de inspectie en de controle op de afgifte van de rijbewijzen, de
internationale rijbewijzen, de voorlopige rijbewijzen, de leervergunningen en
de duplicaten, hebben toegang tot de lokalen waar die documenten worden
afgegeven en waar de documenten en de voorraden van formulieren, van
rijbewijzen, van internationale rijbewijzen, van voorlopige rijbewijzen en van
leervergunningen bewaard worden; zij mogen inzage nemen van alle documenten in
verband met hun opdracht alsook van de inlichtingenfiches.
Ze hebben dezelfde bevoegdheid inzake toezicht en controle in de examencentra,
bedoeld in artikel 25, inzonderheid wat de examens betreft, alsook in de
instellingen en scholen bedoeld in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° en 9°, wat
betreft de opleiding en, in voorkomend geval, de examens.
Op vraag van de Minister of zijn gemachtigde zijn de overheden bedoeld in
artikel 7, de examencentra en de instellingen en instanties bedoeld in het
tweede lid ertoe gehouden om alle inlichtingen te verstrekken betreffende de
toepassing van dit besluit.
TITEL IV. - {dt}Beschikking{edt}en betreffende de rechterlijke beslissingen
houdende vervallenverklaring van het recht tot sturen van een motorvoertuig, de
formaliteiten tot uitvoering ervan en de onderzoeken tot herkrijging van dit
recht
HOOFDSTUK I. - Rechterlijke beslissingen
houdende vervallenverklaring van het recht om een motorvoertuig te besturen
en formaliteiten tot uitvoering ervan
Art. 65. Wanneer bij toepassing van artikel 45 van de wet, de
vervallenverklaring van het recht tot sturen beperkt is tot sommige
motorvoertuigen, vermeldt de beslissing op welke categorieën en subcategorieën
het verval slaat, met verwijzing naar de indeling bepaald in artikel 2.
Art. 66. Uiterlijk de vijfde dag volgend op de datum van de verwittiging die
aan de veroordeelde overeenkomstig artikel 40 van de wet werd gegeven, of de
dag volgend op deze waarop het verval wegens lichamelijke ongeschiktheid ingaat,
deelt het openbaar ministerie aan de Minister en aan de burgemeester van de
gemeente waar de veroordeelde is ingeschreven of vermeld in het bevolkings-,
vreemdelingen- of wachtregister, of, bij gebrek aan inschrijving, aan de
burgemeester van de gemeente waar hij zijn woonstkeuze heeft gedaan, de
beslissing mee waarbij het verval wordt uitgesproken, de duur en de reden ervan
alsook de onderzoeken die ondergaan moeten worden krachtens artikel 38 van de
wet.
Indien de vervallenverklaring van het recht tot sturen uitgesproken werd met de
verplichting om het psychologische onderzoek af te leggen, maakt de
burgemeester zonder verwijl aan de Minister een uittreksel uit het
strafregister van betrokkene over, waarin de minnelijke schikkingen en de
veroordelingen met betrekking tot overtredingen van de voorschriften
betreffende de politie over het wegverkeer vermeld staan, alsook de
veroordelingen wegens onvrijwillige doodslag, slagen en verwondingen.
Als de betrokkene houder is van een rijbewijs, deelt de burgemeester de
categorieën en de subcategorieën van voertuigen, waarvoor het rijbewijs is
afgegeven, mee.
Art. 67. Hij die een verval van het recht tot sturen heeft opgelopen, is
gehouden bij de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken,
te laten toekomen, naargelang het geval :
1° het rijbewijs waarvan hij houder is, wanneer het gaat om verval van het
recht tot sturen van een motorvoertuig waarvoor het document is afgegeven;
2° het voorlopige rijbewijs of de leervergunning waarvan hij houder is.
Deze formaliteit moet vervuld worden binnen de 4 dagen na de dag waarop het
openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan,
overeenkomstig artikel 40 van de wet of, in geval van verval uitgesproken
wegens lichamelijke ongeschiktheid, binnen de 4 dagen na de uitspraak van de
beslissing wanneer deze op tegenspraak is gewezen, of na de betekening wanneer
zij bij verstek is gewezen niettegenstaande voorziening; zaterdagen, zondagen
en wettelijke feestdagen zijn in deze termijn niet begrepen.
Art. 68. De griffier stuurt het voorlopige rijbewijs en de leervergunning terug
aan de overheid bedoeld in artikel 7.
Wanneer het verval beëindigd is en indien de houder de opgelegde onderzoeken
met goed gevolg heeft ondergaan, geeft de overheid bedoeld in artikel 7 het
voorlopige rijbewijs of de leervergunning terug na het te hebben verlengd
overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 8, ¢ 6 en 12, ¢ 5.
Art. 69. ¢ 1. Het rijbewijs wordt bewaard op de griffie.
Als het verval van het recht tot sturen maar van toepassing is op bepaalde
categorieën of subcategorieën van voertuigen waarvoor het rijbewijs afgegeven
is, kan de houder een rijbewijs verkrijgen dat enkel geldig is voor de
categorieën of subcategorieën waarvoor het verval niet van toepassing is, voor
zover er voldaan is aan de afgiftevoorwaarden voorgeschreven in dit besluit. De
griffier maakt een attest op waarvan het model bepaald wordt door de Minister.
De procedure van artikel 49 is van toepassing.
¢ 2. Het rijbewijs wordt teruggegeven door de griffier :
1° wanneer het verval beëindigd is, indien de houder met goed gevolg de
onderzoeken die hem eventueel in toepassing van artikel 38 van de wet zijn
opgelegd, heeft ondergaan. In het geval bepaald in ¢ 1, tweede lid, wordt het
rijbewijs teruggestuurd naar de overheid bedoeld in artikel 7; deze laatste
geeft het terug aan de houder of levert, naargelang het geval, een duplicaat
van dit document of een nieuw rijbewijs af als de belanghebbende een rijbewijs
beperkt tot categorieën of subcategorieën waarvoor het verval niet van
toepassing was, heeft verkregen;
2° wanneer de houder van een Europees of buitenlands rijbewijs, die niet
beantwoordt aan de voorwaarden om een Belgisch rijbewijs te verkrijgen, het
grondgebied verlaat. In dit geval, geeft de ambtenaar van het openbaar
ministerie hem een attest af dat overeenstemt met het model van bijlage 8, en
dat hem machtigt tot het besturen van zijn voertuig om zich op een vastgestelde
dag en langs een bepaalde weg naar de grens te begeven.
Art. 70. De Minister of zijn gemachtigde deelt elke beslissing waarbij
definitief een einde wordt gemaakt aan het verval alsook elk slagen voor het
onderzoek mee aan de burgemeester van de gemeente waar de belanghebbende
ingeschreven is of, bij gebrek aan inschrijving, aan de burgemeester van de
gemeente waar hij zijn woonstkeuze heeft gedaan.
HOOFDSTUK II. - Verval van het recht tot sturen - Onderzoeken
Art. 71. De Minister of zijn gemachtigde stuurt aan de personen, aan wie een of
meerdere onderzoeken bedoeld in artikel 38 van de wet werden opgelegd, een
inschrijvingsdocument dat de onderzoeken die ze moeten afleggen, opgeeft.
De inschrijving voor de onderzoeken gebeurt tegen betaling van een
inschrijvingsrecht van vijfhonderd frank dat door de kandidaat wordt gekweten
bij middel van plakzegels van het type zoals voorgeschreven bij de heffing van
zegelrechten; dit inschrijvingsrecht wordt in geen geval terugbetaald.
De kandidaat legt het deelnemingsdocument, afgegeven door de Minister of zijn
gemachtigde, voor bij de bevoegde examencentra, die op dit document melding
maken van het slagen voor de afgelegde onderzoeken.
De kandidaat die geslaagd is voor alle opgelegde onderzoeken stuurt het
deelnemingsdocument aan de Minister of aan zijn gemachtigde die een attest van
slagen afgeeft.
De kandidaat die geslaagd is voor het geheel van de hem opgelegde onderzoeken
is hersteld in het recht tot sturen van de voertuigen van alle categorieën en
subcategorieën waarop het verval slaat, voor zover hij aan de Minister of zijn
gemachtigde het deelnemingsdocument ten laatste drie jaar na het slagen voor
het eerste onderzoek heeft overgemaakt.
Art. 72. ¢ 1. De theoretische en de praktische examens worden afgelegd in de
examencentra bedoeld in artikel 25.
Zij worden afgelegd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 31 tot 39, 47
en 48 en de bepalingen van ¢¢ 2 tot 5 van dit artikel.
¢ 2. De kandidaat die het theoretische en het praktische examen moet afleggen,
doet het theoretische examen dat overeenstemt met de categorie of subcategorie
die hij voor het praktische examen gekozen heeft.
De kandidaat die het theoretische maar niet het praktische examen moet
afleggen, doet het examen :
1° voor de categorie D of voor de subcategorie D1 wanneer hij houder is van een
Belgisch, Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van
de wet, geldig voor de categorie D of D+E of voor de subcategorie D1 of D1+E of
voor een gelijkwaardige categorie of subcategorie;
2° voor de categorie C of voor de subcategorie C1 wanneer hij houder is van een
Belgisch, Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van
de wet, geldig voor de categorie C of C+E of de subcategorie C1 of C1+E of een
gelijkwaardige categorie of subcategorie, zonder geldig te zijn voor de
categorie D of de subcategorie D1;
3° voor de categorie A of B wanneer hij houder is van een Belgisch, Europees of
buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van de wet, geldig voor de
categorie A, B of B+E of voor een gelijkwaardige categorie;
4° voor de categorie A of B, of voor de categorie A3, wanneer hij geen houder
is van een rijbewijs of wanneer hij houder is van een Belgisch, Europees of
buitenlands rijbewijs bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van de wet, geldig voor de
categorie A3 of voor een gelijkwaardige categorie.
¢ 3. Het praktische examen wordt afgelegd met een bromfiets klasse B of met een
voertuig van de categorie A of B als de kandidaat geen houder is van een
rijbewijs ofwel met een voertuig van de categorie of van de subcategorie
waarvoor het rijbewijs, waarvan hij houder is, geldig is. Het voertuig moet
evenwel behoren tot een van de categorieën of subcategorieën waarvoor het
verval van toepassing is.
Indien het rijbewijs slechts geldig is voor het besturen van bepaalde
voertuigen van een categorie of een subcategorie, heeft het praktische examen
plaats met een voertuig waarmee de houder mag rijden.
¢ 4. De houder van een rijbewijs mag, na het slagen voor de opgelegde examens,
het rijbewijs waarvan hij houder is terugkrijgen.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid bekomt :
1° de houder van een rijbewijs die het praktische examen aflegt met een
bromfiets klasse B, een rijbewijs geldig voor de categorie A3;
2° de houder van een Belgisch, een Europees of een buitenlands rijbewijs
bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van de wet, geldig voor de categorie C, C+E, D
of D+E of de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E of voor een gelijkwaardige
categorie of subcategorie die het praktische examen heeft afgelegd met een
voertuig van de categorie A, B of B+E, een rijbewijs geldig voor deze van de
categorieën A, B en B+E waarvoor het rijbewijs was geldig verklaard;
3° de houder van een Belgisch, Europees of buitenlands rijbewijs bedoeld in
artikel 23, ¢ 2, 1° van de wet, geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of
voor een gelijkwaardige categorie of subcategorie die het praktische examen
heeft afgelegd met een voertuig van de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E, een
rijbewijs geldig voor deze van de categorieën A, B en B+E en van de
subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E waarvoor het rijbewijs was geldig
verklaard.
¢ 5. Om toegelaten te worden tot het theoretische en het praktische examen legt
de kandidaat, die geen houder is van een Belgisch, Europees of buitenlands
rijbewijs, bedoeld in artikel 23, ¢ 2, 1° van de wet, een getuigschrift van
theoretisch of praktisch onderricht, afgegeven door een rijschool, voor.
Hij legt het praktische examen af met een lesvoertuig van de categorie A3, A of
B van een rijschool.
Art. 73. De medische en de psychologische onderzoeken gebeuren in de
gewestelijke medico-psychologische centra van de instellingen bedoeld in
artikel 4, 5° en slaan respectievelijk op de normen en tests aangeduid in
bijlage 6.
De geneesheer of de psycholoog bevestigt op het deelnemingsdocument het slagen
door de vermelding « geschikt » met eventueel de toevoeging van voorwaarden of
beperkingen die hij aanduidt en die, in voorkomend geval, zullen overgenomen
worden op het teruggekregen of het verkregen rijbewijs.
De kandidaat die, bij twee achtereenvolgende medische of psychologische
onderzoeken in hetzelfde centrum, niet geschikt werd bevonden of die de
voorwaarden of beperkingen, toegevoegd aan de geschiktheidsverklaring, betwist,
ondergaat op zijn aanvraag dezelfde onderzoeken in een ander centrum, aangewezen
door de Minister of zijn gemachtigde.
TITEL V. - Centraal bestand
Art. 74. Binnen het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur wordt een centraal
bestand opgericht, dat de volgende gegevens bevat :
1° de identiteit van de persoon op wie de gegevens bedoeld in 2° tot 7°
betrekking hebben : naam, voornamen, adres, land van verblijf, geboorteplaats
en - datum, geslacht, nationaliteit, NIS-code van de gemeente, alsook het
identificatienummer bij het rijksregister;
2° de gegevens betreffende het rijbewijs en de als zodanig geldende bewijzen;
3° de gegevens betreffende de vervallenverklaringen van het recht tot sturen,
de maatregelen die een einde stellen aan het verval van het recht tot sturen en
de onmiddellijke intrekkingen;
4° de gegevens betreffende de herstelonderzoeken in het recht tot sturen;
5° de gegevens betreffende de brevetten van beroepsbekwaamheid bedoeld in het
koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de
erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;
6° de gegevens betreffende de examinatoren :
a) het erkenningsnummer;
b) de instelling die de betrokkene aangenomen heeft en het examencentrum
waartoe hij behoort;
c) de datum van slagen voor het examen;
d) de datum van aanwerving;
e) de sancties genomen in toepassing van artikel 26;
7° de gegevens betreffende de bewijzen van geneeskundige schifting :
a) de uiterste geldigheidsdatum van het document;
b) de geschiktheidsbeslissing die door de onderzoekende geneesheer genomen is;
c) de voorwaarden, beperkingen en aanpassingen aan het voertuig die voorkomen
op het bewijs van geneeskundige schifting;
d) het geneeskundig centrum dat het onderzoek heeft uitgevoerd met het oog op
de afgifte van een bewijs van geneeskundige schifting;
e) het dossiernummer;
8° de gegevens betreffende de vrijstellingen van de draagplicht van de
veiligheidsgordel, bedoeld in het koninklijk besluit van 1 december 1975
houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.
Art. 75. De doelstellingen waarvoor de gegevens van het bestand het onderwerp
van een verwerking kunnen uitmaken zijn :
1° de vervulling van opdrachten van inspectie en controle betreffende :
a) de afgifte van rijbewijzen en de als zodanig geldende bewijzen;
b) de examencentra en de examinatoren;
c) de rijscholen en het leidend en onderwijzend personeel, overeenkomstig het
koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de
erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen;
2° de bepaling van de bedragen die door de gemeenten verschuldigd zijn;
3° de verwezenlijking van wetenschappelijke studies en het opstellen van
algemene en naamloze statistieken;
4° de opsporing van overtredingen, wanbedrijven en misdaden door de
gerechtelijke politie;
5° de controle op de naleving van de bepalingen betreffende de politie van het
wegverkeer en de bevordering van de verkeersveiligheid;
6° de uitoefening door de politiediensten van hun opdracht van administratieve
politie;
7° de organisatie van de onderzoeken tot herstel in het recht tot sturen,
bepaald in artikel 38 van de wet;
8° de afgifte van duplicaten van bewijzen van geneeskundige schifting;
9° het beheer van de brevetten van beroepsbekwaamheid bedoeld in het koninklijk
besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van
scholen voor het besturen van motorvoertuigen;
10° de afgifte, door de overheid, van de rijbewijzen en de als zodanig geldende
bewijzen;
11° de wederzijdse hulp op internationaal vlak voor de toepassing van de
bepalingen betreffende de rijbewijzen en het recht tot sturen.
Art. 76. De gegevens bedoeld in artikel 74 mogen meegedeeld worden aan :
1° de gerechtelijke overheden;
2° de ambtenaren van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de
Infrastructuur, belast met de controle van de overheden bedoeld in artikel 7,
van de examencentra en van de rijscholen.
De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 8° mogen meegedeeld
worden aan de bevoegde personen aangeduid in het koninklijk besluit van 1
december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.
De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4° en 7° mogen meegedeeld worden
aan de examinatoren bedoeld in artikel 26.
De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3° en 4° mogen meegedeeld worden aan
de buitenlandse overheden belast met de afgifte van rijbewijzen of aan de
buitenlandse gerechtelijke overheden. De betrokken overheid richt aan de
Minister een schriftelijke en gemotiveerde aanvraag voor controledoeleinden of
voor een omwisseling van een Belgisch rijbewijs tegen een rijbewijs van de
betrokken Staat; als deze redenen niet gefundeerd zijn of als de betrokken
Staat geen normen ter bescherming van de persoonsgegevens vastgelegd heeft,
wordt de mededeling van de gegevens geweigerd.
De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4° en 7° mogen meegedeeld worden
aan de burgemeester of aan zijn gemachtigde die belast is met de toepassing van
de bepalingen van dit besluit.
De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 3°, 4°, 7° en 8° mogen meegedeeld
worden aan het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid.
De gegevens bedoeld in artikel 74, 3° worden evenwel niet meer meegedeeld
wanneer de belanghebbende hersteld is in het recht tot sturen, tenzij voor
gerechtelijke en statistische doeleinden.
Art. 77. De gegevens bedoeld in artikel 74, 1°, 2°, 5°, 6° en 7° worden bewaard
zonder tijdsbeperking.
De gegevens bedoeld in artikel 74, 3° worden bewaard tot de datum van de
uitwissing van de veroordeling of van het herstel in eer en rechten van de
veroordeelde.
De gegevens bedoeld in artikel 74, 4° worden bewaard tot de datum van het
herstel in het recht tot sturen.
De gegevens bedoeld in artikel 74, 8° worden bewaard tot het verstrijken van de
vrijstelling.
TITEL VI. - Allerhande bepalingen
Art. 78. De rijbewijzen, conform het model van bijlage 9, blijven geldig voor
het besturen van motorvoertuigen volgens de volgende regels :
1° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A laat toe voertuigen van
de categorieën A3 en A te besturen;
2° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B laat toe voertuigen van
de categorieën A3, A, B en B+E te besturen;
3° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C laat toe voertuigen van
de categorieën A3, A, B, B+E, C en C+E en van de subcategorieën C1 en C1+E te
besturen;
4° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D laat toe voertuigen van
de categorieën A3, A, B, B+E, C, C+E, D en D+E en van de subcategorieën C1,
C1+E, D1 en D1+E te besturen;
5° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie AF laat toe voertuigen van
de categorieën A3 of A, die speciaal aangepast zijn in functie van de handicap
van de houder, te besturen; het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie BF
laat toe voertuigen van de categorie B, die speciaal aangepast zijn in functie
van de handicap van de houder, te besturen.
De rijbewijzen, conform het model van bijlage 10, blijven geldig voor het
besturen van motorvoertuigen volgens de volgende regels :
1° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A3 laat toe voertuigen van
de categorie A3 te besturen;
2° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A2 laat toe voertuigen van
de categorie A3 en voertuigen van de categorie A te besturen als het rijbewijs
afgegeven is sinds meer dan twee jaar of van voertuigen van de categorie A met
een vermogen van minder dan of gelijk aan 25 kW of een
vermogen/gewichtsverhouding van minder dan of gelijk aan 0,16 kW/kg als het
rijbewijs sinds minder dan twee jaar is afgegeven;
3° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie A1 laat toe voertuigen van
de categorieën A3 en A te besturen;
4° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B laat toe voertuigen van
de categorieën A3 en B te besturen en voertuigen bedoeld in artikel 20, ¢ 2,
indien het sinds tenminste twee jaar afgegeven is;
5° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie C laat toe voertuigen van
de categorieën A3, B en C en van de subcategorie C1 te besturen;
6° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie D laat toe voertuigen van
de categorieën A3, B en D en van de subcategorie D1 te besturen;
7° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie BE laat toe voertuigen van
de categorieën A3, B en B+E te besturen;
8° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie CE laat toe voertuigen van
de categorieën A3, B, B+E, C en C+E en van de subcategorieën C1 en C1+E te
besturen;
9° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie DE laat toe voertuigen van
de categorieën A3, B, B+E, D en D+E en van de subcategorieën D1 en D1+E te
besturen;
10° het rijbewijs geldig verklaard voor de categoriën CE en D laat toe
voertuigen van de categorieën A3, B, B+E, C, C+E, D en D+E en van de
subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E te besturen.
Art. 79. Wanneer, krachtens artikel 49 of artikel 50, een rijbewijs conform het
model van bijlage 1 wordt afgegeven in plaats van een rijbewijs, conform het
model van bijlage 9 of van bijlage 10, worden de regels voorgeschreven in
artikel 78 toegepast.
De houders van een rijbewijs conform het model van bijlage 9 of van bijlage 10,
kunnen dit omwisselen tegen een rijbewijs, waarvan het model bepaald wordt in
bijlage 1. Zij verkrijgen een rijbewijs, geldig voor dezelfde categorie of
categorieën van voertuigen die zij gemachtigd waren te besturen op basis van
het rijbewijs waarvan zij houder waren, overeenkomstig de regels bepaald in artikel
78.
De personen die het bewijs leveren dat zij houder geweest zijn van een
rijbewijs, conform het model van bijlage 10, verkrijgen onder dezelfde
voorwaarden een rijbewijs waarvan het model bepaald is in bijlage 1, volgens de
regels voorgeschreven in artikel 78.
De personen, bedoeld in het tweede en derde lid, dienen bij de overheid bedoeld
in artikel 7 een aanvraag tot omwisseling in waarvan het model bepaald wordt
door de Minister.
Art. 80. ¢ 1. De personen die na 25 mei 1965 en vóór 1 januari 1989 tengevolge
van een herstelonderzoek hersteld zijn in het recht tot sturen voor een of
meerdere categorieën van voertuigen, dienen voor het verkrijgen van een
rijbewijs, geldig voor een of meerdere andere categorieën van voertuigen, geen
nieuw herstelonderzoek af te leggen.
Wanneer een verval van het recht tot sturen, uitgesproken vóór de
inwerkingtreding van dit besluit, beperkt is tot bepaalde categorieën van
voertuigen, worden voor de bepaling van deze categorieën, de regels
voorgeschreven in artikel 78 toegepast.
¢ 2. De houder van een rijbewijs waarop vermeldingen met betrekking tot het
verval van het recht tot sturen zijn aangebracht vóór de inwerkingtreding van
dit besluit kan,bij het einde van de vervalperiode en voor zover hij geslaagd
is voor de onderzoeken die hem eventueel krachtens artikel 38 van de wet worden
opgelegd, een duplicaat van zijn rijbewijs verkrijgen zonder dat de
vermeldingen van verval worden overgenomen op het document. De bepalingen van
de artikelen 50 en 51 zijn van toepassing.
Wanneer op het rijbewijs vermeldingen voorkomen met betrekking tot een verval
van het recht tot sturen dat loopt op het ogenblik van de inwerkingtreding van
dit besluit en dat beperkt is tot sommige categorieën van voertuigen waarvoor
het rijbewijs werd afgegeven, kan de houder een nieuw rijbewijs verkrijgen dat
enkel geldig is voor de categorieën waarop het verval niet van toepassing is
overeenkomstig de bepalingen van artikel 49. Wanneer het verval beëindigd is en
na het slagen voor de onderzoeken die hem eventueel krachtens artikel 38 van de
wet worden opgelegd, kan de houder een duplicaat van zijn oorspronkelijk
rijbewijs verkrijgen, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 50 en 51.
Art. 81. De houder van een rijbewijs geldig voor de categorie A2, bedoeld in
artikel 78, tweede lid, 2° kan bij het verstrijken van een termijn van twee
jaar te rekenen vanaf de datum van afgifte van het rijbewijs, een rijbewijs
geldig voor het besturen van alle voertuigen van de categorie A verkrijgen
zonder zich te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en
praktisch examen te moeten afleggen. De procedure voorgeschreven in artikel 49
is van toepassing.
Art. 82. In artikel 8.2, van het koninklijk besluit van 1 december 1975
houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, gewijzigd door de
koninklijke besluiten van 25 maart 1987 en 18 september 1991 worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1° artikel 8.2, 1° wordt aangevuld met het volgende lid :
« Deze leeftijd wordt evenwel teruggebracht op :
a) 17 jaar voor de bestuurders die de opleiding « bestuurders van autobussen en
autocars » volgen in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs;
b) 18 jaar voor de bestuurders van autobussen, trolleybussen en autocars met
niet meer dan 16 zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, die
houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een getuigschrift van
vakbekwaamheid bedoeld in artikel 59.2, afgegeven voor het personenvervoer;
c) 18 jaar voor de bestuurders die de scholing volgen en die het praktische
examen afleggen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie D
of D+E of voor de subcategorie D1 of D1+E, overeenkomstig de bepalingen van het
koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
2° in het artikel 8.2, 2°, wordt het tweede lid vervangen door het volgende lid
:
« Deze leeftijd wordt evenwel teruggebracht op :
a) 17 jaar voor de bestuurders die de opleiding « bestuurders van vrachtwagens
» volgen in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs;
b) 18 jaar voor de bestuurders die houder zijn van, en tevens bij zich hebben,
een getuigschrift van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 59.2, afgegeven voor
het goederenvervoer en voor de bestuurders die een scholing volgen en het
praktische examen afleggen om, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk
besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, een rijbewijs geldig voor
de categorie C of C+E te verkrijgen; »;
3° in artikel 8.2, wordt 3° vervangen door de volgende bepaling :
« 3° 18 jaar voor de bestuurders van andere motorvoertuigen.
Deze leeftijd wordt evenwel vastgesteld op :
a) 16 jaar voor de bestuurders van bromfietsen voor zover het voertuig geen
andere persoon dan de bestuurder vervoert, alsook voor de bestuurders van
landbouwtractoren die van de hoeve naar het veld rijden en omgekeerd;
b) 3 maanden vóór 17 jaar voor de bestuurders die het praktische onderricht
volgen met het oog op het verkrijgen van een leervergunning bedoeld in artikel
10 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
c) 17 jaar voor de bestuurders die de opleiding « bestuurders van vrachtwagens
» of « bestuurders van autobussen en autocars » volgen in de derde graad van
het secundaire beroepsonderwijs of die rijden met een leervergunning;
d) 3 maanden vóór 18 jaar voor de bestuurders die het praktische onderricht
volgen met het oog op het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorie A
of B;
e) 21 jaar voor de bestuurders van motorfietsen met een vermogen van meer dan
25 kW of een vermogen/ gewichtsverhouding van meer dan 0,16 kW/kg, tenzij ze
sinds ten minste twee jaar houder zijn van een rijbewijs geldig voor het
besturen van motorfietsen met een vermogen van minder of gelijk aan 25 kW of
een vermogen/gewichtsverhouding van minder of gelijk aan 0,16 kW/kg of van een
Belgisch rijbewijs geldig voor de categorie A2 of tenzij zij houder zijn van
een Belgisch rijbewijs geldig voor de categorie A1.
Deze bepaling is niet van toepassing op de gehandicapten die een voertuig
besturen uitgerust met een motor die niet toelaat zich sneller dan stapvoets
voor te bewegen; ».
Art. 83. In artikel 59.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975
houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, gewijzigd door de
koninklijke besluiten van 18 september 1991 en 29 mei 1996 worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1° in het artikel 59.2 wordt b) vervangen door de volgende bepaling :
« b) de « certificats de qualification » afgegeven bij het einde van het zesde
jaar van het secundaire Franstalige beroepsonderwijs aan de leerlingen die de
opleiding « conducteurs poids lourds » of de opleiding « conducteurs d'autobus
ou d'autocars » gevolgd hebben en de « studiegetuigschriften » van het tweede
jaar van de derde graad van het Nederlandstalige beroepsonderwijs afgegeven aan
de leerlingen die de opleiding « bestuurders van vrachtwagens » of de opleiding
« bestuurders van autobussen of autocars » gevolgd hebben »; »;
2° in artikel 59.2 c), worden de woorden « l'Office régional bruxellois de
l'emploi » vervangen door de woorden « l'Institut bruxellois francophone pour
la formation professionnelle ».
TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen
en inwerkingtreding
Art. 84. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 6 mei 1988 betreffende de indeling van voertuigen
in categorieën, het rijbewijs, de rechterlijke beslissingen houdende
vervallenverklaring van het recht tot sturen en de voorwaarden voor erkenning
van de scholen voor het besturen van motorvoertuigen, gewijzigd bij de koninklijke
besluiten van 17 september 1988, 19 december 1988, 28 januari 1991, 18 juli
1991 en 19 juli 1993;
2° het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de geneeskundige
schifting en het geneeskundig toezicht op de bestuurders van motorvoertuigen, gewijzigd
door het koninklijk besluit van 7 april 1995;
3° de voorschriften van 5 november 1964 betreffende de uitreiking van het bij
het Verdrag van 19 november 1949 nopens het wegverkeer voorgeschreven
internationale rijbewijs, gewijzigd door de voorschriften van 16 juli 1976.
Art. 85. De bewijzen van geneeskundige schifting waarvan het model bepaald is
in bijlage 11 blijven geldig tot de op het document vermelde uiterste
geldigheidsdatum voor het besturen van de voertuigen bedoeld in de artikelen 42
en 43.
Bij het verstrijken van de geldigheid van het bewijs van geneeskundige
schifting moet de houder van een rijbewijs bedoeld in artikel 42 en 43 het
onderzoek voorgeschreven in artikel 42 ondergaan; hij bekomt een nieuw
rijbewijs, geldig voor de duur vermeld op het attest bedoeld in artikel 44, ¢
5, zonder zich te moeten onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw
theoretisch en praktisch examen te moeten afleggen. De procedure voorgeschreven
in artikel 49 is van toepassing.
Voor de verloren, gestolen, beschadigde, onleesbare of tenietgegane bewijzen
van geneeskundige schifting of in geval van adresverandering wordt een
duplicaat afgegeven door de Minister of zijn gemachtigde op vertoon van een
aanvraag om duplicaat waarvan het model bepaald is door de Minister. Voor de
afgifte van een duplicaat wordt een retributie van tweehonderd frank betaald;
de aanvrager betaalt de retributie door middel van plakzegels van het type dat
voorgeschreven is voor de inning van zegelrechten.
De aanvragen om een bewijs van geneeskundige schifting en de voorlopige
attesten afgegeven in toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 84, 2°
worden gelijkgesteld met het attest bepaald in artikel 44, ¢ 5.
Art. 86. ¢ 1. De rijbewijzen geldig voor de categorieën C, CE, D en DE, afgegeven
voor 1 januari 1989 blijven geldig gedurende een termijn van vijf jaar, te
rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
Het rijbewijs wordt hernieuwd op vertoon van een attest bedoeld in artikel 44,
¢ 5.
Een nieuw rijbewijs wordt afgegeven, overeenkomstig de procedure voorgeschreven
in artikel 49, zonder dat de aanvrager gehouden is om zich te onderwerpen aan
de scholing en een nieuw theoretisch en praktisch examen te ondergaan.
Het nieuw rijbewijs is geldig voor de duur aangeduid op het attest bedoeld in
het tweede lid.
¢ 2. De houder van een rijbewijs bedoeld in ¢ 1, eerste lid, die een van de
vervoersdiensten bepaald in artikel 43 uitvoert, is gehouden, als hij geen
houder is van een nog geldig bewijs van geneeskundige schifting en conform aan
het model vastgesteld in bijlage 11, om een onderzoek voorgeschreven in artikel
42 te ondergaan.
Een nieuw rijbewijs wordt afgegeven zonder dat de aanvrager gehouden is om zich
te onderwerpen aan de scholing en zonder een nieuw theoretisch en praktisch
examen af te leggen. De procedure voorgeschreven in artikel 49 is van
toepassing.
Het nieuw rijbewijs is geldig voor de duur aangeduid op het attest bedoeld in
artikel 44, ¢ 5.
Art. 87. De voorlopige rijbewijzen en de leervergunningen afgegeven vóór de
inwerkingtreding van dit besluit blijven geldig tot de op het document vermelde
uiterste geldigheidsdatum. De geldigheidsduur van het voorlopige rijbewijs
model 3 geldig voor de categorie A3, A2, A1, BE, C, CE, D of DE, dat nog geldig
is op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit, wordt evenwel op
twaalf maanden gebracht.
De houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A2 en de houder
van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A1 die minder dan 21 jaar
is, mogen slechts motorfietsen besturen met een vermogen van minder of gelijk
aan 25 kW of een vermogen/ gewichtsverhouding van minder of gelijk aan 0,16
kW/kg.
In geval van afgifte van een duplicaat of van verandering van begeleider wordt
een voorlopig rijbewijs of een leervergunning conform het model van bijlage 2
of van bijlage 3 afgegeven volgens de bepalingen voorgeschreven in artikel 78.
De houder van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A2 en de houder
van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie A1, die minder dan 21 jaar
is, verkrijgen evenwel een voorlopig rijbewijs met de vermelding « A H 25 kW of
H 0,16 kW/kg ».
Art. 88. De aanvragen om een rijbewijs, met vermelding van het slagen voor het
theoretische examen en het praktische examen, afgegeven vóór de datum van
inwerkingtreding van dit besluit laten toe om gedurende een periode van drie
jaar te rekenen vanaf die datum, een rijbewijs te verkrijgen overeenkomstig de
regels voorgeschreven in artikel 78. Evenwel, de aanvraag om een rijbewijs
geldig voor de categorie A2 en de aanvraag om een rijbewijs geldig voor de
categorie A1 waarvan de houder minder dan 21 jaar is laten toe om een rijbewijs
geldig voor de voertuigen van de categorie A met een vermogen van minder of
gelijk aan 25 kW of een vermogen/gewichtsverhouding van minder of gelijk aan
0,16 kW/kg te verkrijgen.
De aanvragen om een rijbewijs, met vermelding van het slagen voor het
theoretische examen en de aanvragen om een voorlopig rijbewijs en een
leervergunning, afgegeven vóór de inwerkingtreding van dit besluit, worden
gelijkgesteld respectievelijk met de aanvragen om een rijbewijs of met de
aanvragen om een voorlopig rijbewijs of een leervergunning, afgegeven in
toepassing van de bepalingen van dit besluit. De aanvragen om een voorlopig
rijbewijs voor de categorie A2 laten toe om een voorlopig rijbewijs met de
vermelding « A H 25 kW of H 0,16 kW/kg » te verkrijgen; dezelfde regel is van
toepassing als de aanvraag om een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorie
A1 voorgelegd wordt door een kandidaat van minder dan 21 jaar.
Art. 89. De houder van een buitenlands nationaal rijbewijs dat niet beantwoordt
aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 27, 2° en de houder van een
internationaal rijbewijs die geslaagd zijn voor de theoretische en praktische
examen vóór de inwerkingtreding van dit besluit, verkrijgen een rijbewijs
zonder dat ze onderworpen zijn aan de scholing voorgeschreven in artikel 5, ¢
1.
De houder van een voorlopig rijbewijs model 3, geldig voor de categorie B, waarvan
de geldigheid verstreken is voor de inwerkingtreding van dit besluit ten
gevolge van een veroordeling tot een verval van het recht tot sturen kan een
voorlopig rijbewijs model 1 of model 2 verkrijgen.
Art. 90. In afwijking van de bepalingen van artikel 38, ¢¢ 4, 5, 6, 7 en 8
kunnen de praktische examens voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de
categorieën B+E, C, C+E, D en D+E afgelegd worden :
1° gedurende een periode van zes maanden te rekenen vanaf de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, onder de volgende voorwaarden :
a) het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de
categorie C mag afgelegd worden met een voertuig behorend tot de categorie C
waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 7.000 kg is. Het voertuig moet
uitgerust zijn met een tachograaf;
b) het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de
categorie D mag afgelegd worden met een voertuig behorend tot de categorie D en
met ten minste 28 plaatsen, deze van de bestuurder niet inbegrepen en waarvan
de lengte ten minste 7 m is. Het voertuig moet uitgerust zijn met een
tachograaf;
c) het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de
categorie B+E, C+E of D+E mag afgelegd worden met een samenstel van voertuigen
bestaande uit een trekkend voertuig behorend tot de categorie B, C of D,
beantwoordend, naargelang het geval, aan de voorwaarden voorgeschreven in
artikel 38, ¢ 3 of aan de voorwaarden voorgeschreven in a) of b) en met een
aanhangwagen waarvan de maximale toegelaten massa meer is dan 750 kg of met een
geleed voertuig.
Als het trekkende voertuig behoort tot de categorie B, moet de maximale
toegelaten massa van het samenstel meer zijn dan 3.500 kg.
Als het trekkende voertuig behoort tot de categorie C en het geen oplegger
betreft, moet de aanhangwagen ten minste twee assen hebben die meer dan 1 m van
elkaar gelegen zijn; ten minste een van de assen moet beweegbaar zijn.
2° gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, onder de volgende voorwaarden :
a) het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de
categorie B+E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een voertuig
van de categorie B beantwoordend aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel
38, ¢ 3 en een aanhangwagen, uitgerust met een gesloten koetswerk of een huif,
met een maximale toegelaten massa van ten minste 1.000 kg, dat niet behoort tot
de categorie B en dat, op een horizontale weg, een snelheid van ten minste 100
km/u behaalt.
De kast van de aanhangwagen moet beantwoorden aan de voorwaarden voorgeschreven
in artikel 38, ¢ 4, tweede lid;
b) het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de
categorie C mag afgelegd worden met een voertuig van de categorie C uitgerust
met een gesloten koetswerk of een huif, met een maximale toegelaten massa van
ten minste 10.000 kg en een lengte van ten minste 7 m, dat op een horizontale
weg, een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt; het voertuig moet uitgerust
zijn met een tachograaf . Het voertuig moet een lading hebben die beantwoordt
aan de voorwaarden gesteld in artikel 38, ¢ 5, derde lid;
c) het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de
categorie C+E mag afgelegd worden
- hetzij met een geleed voertuig, uitgerust met een gesloten koetswerk of een
huif, met een maximale toegelaten massa van ten minste 18.000 kg en een lengte
van ten minste 12 m en dat, op een horizontale weg, een snelheid van ten minste
80 km/u bereikt. Het voertuig moet uitgerust zijn met een tachograaf;
- hetzij met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie C
bedoeld in b) en een aanhangwagen uitgerust met een gesloten koetswerk of een
huif, met een lengte van ten minste 4 meter, dat een maximale toegelaten massa
van ten minste 18.000 kg en een lengte van ten minste 12 m heeft en dat op een
horizontale weg, een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt;
Het geleed voertuig en het samenstel moeten een lading hebben die beantwoordt
aan de voorwaarden gesteld in artikel 38, ¢ 6, tweede lid;
d) het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de
categorie D mag afgelegd worden met een voertuig van de categorie D waarvan de
lengte niet minder mag zijn dan 9 m en dat, op een horizontale weg, een
snelheid van ten minste 80 km/u bereikt. Het voertuig moet uitgerust zijn met
een tachograaf;
e) het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs geldig voor de
categorie D + E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een
voertuig van de categorie D bedoeld in d) en een aanhangwagen, uitgerust met
een gesloten koetswerk of een huif, waarvan de maximale toegelaten massa ten
minste 1.250 kg is en dat, op een horizontale weg, een snelheid van ten minste
80 km/u bereikt.
Art. 91. Treden in werking op 1 oktober 1998 :
1° de artikelen 23 en 36 van de wet van 18 juli 1990 tot wijziging van de wet
betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en
de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig
voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren
moeten voldoen;
2° dit besluit.
Art. 92. Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van
Volksgezondheid, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van
Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van
Landsverdediging en Onze Staatssecretaris voor Veiligheid zijn, ieder wat hem
betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 23 maart 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Volksgezondheid,
M. COLLA
De Minister van Buitenlandse Zaken,
E. DE RYCKE
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
De Minister van Landsverdediging,
J.P. PONCELET
De Staatssecretaris voor Veiligheid,
J. PEETERS
Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Bijlage 4 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
A. Stof voor het theoretisch examen
a. Examenstof gemeenschappelijk voor alle categorieën van voertuigen
1. Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart
1968, en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
2. Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de
politie van het wegverkeer en de wijzigingen van kracht op de dag van het
examen;
3. Koninklijk besluit van 7 april 1976 tot aanwijzing van de zware
overtredingen van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en de
wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
4. Het belang van de oplettendheid en van de houding ten opzichte van andere
weggebruikers;
5. Waarneming, beoordeling en reactie, met name reactietijd, en
gedragsveranderingen bij de bestuurder ten gevolge van alcohol, drugs en
geneesmiddelen, gemoedsgesteldheid en vermoeidheid;
6. De belangrijkste principes voor het bewaren van afstand, remafstand en
wegligging van het voertuig in uiteenlopende weers- en wegomstandigheden;
7. Rijrisico's in verband met verschillende wegomstandigheden, in het bijzonder
veranderingen ten gevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of de
nacht;
8. Specifieke risico's in verband met de onervarenheid van andere weggebruikers
en de deelneming aan het verkeer door de meest kwetsbare categorieën, zoals
kinderen, voetgangers, fietsers en personen die in hun mobiliteit gehinderd
zijn;
9. Risico's in verband met het verkeer en het besturen van diverse
voertuigtypes en in verband met het verschillende gezichtsveld van de
bestuurders van deze voertuigen;
10. Reglementering met betrekking tot administratieve bescheiden in verband met
het gebruik van het voertuig;
11. Algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij
ongevallen (plaatsen van de gevarendriehoek, waarschuwen, enz.) en maatregelen
die hij in voorkomend geval kan nemen om hulp te verlenen aan
verkeersslachtoffers;
12. Veiligheidseisen met betrekking tot het laden van het voertuig en de
vervoerde personen;
13. De mechanische onderdelen die voor de rijveiligheid van belang zijn : in
staat zijn de meest voorkomende defecten te ontdekken die zich met name kunnen
voordoen aan stuurinrichting, ophanging, remmen, banden, verlichting en
richtingaanwijzers, reflectoren, achteruitkijkspiegels, ruitesproeiers en
ruitewissers, uitlaat en veiligheidsgordels;
14. Veiligheidsinrichtingen van de voertuigen, met name gebruik van de
veiligheidsgordels en veiligheidsvoorzieningen voor kinderen;
15. Regels voor het milieu-vriendelijk gebruik van het voertuig (alleen
claxonneren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen,
enz.).
b. Specifieke stof
1. Categorie A : bewaren van het evenwicht bij het vervoer van een passagier.
2. Categorie C en subcategorie C1 :
- reglementering inzake gewichten en afmetingen;
- voorschriften inzake rij- en rusttijden;
- beginselen van de werking van de remsystemen en de vertrager;
- beperking van het gezichtsveld die voor de bestuurder en de andere
weggebruikers door de kenmerken van het voertuig wordt veroorzaakt;
-invloed van de wind op de baan van het voertuig;
- voorzorgen te nemen bij inhaalmanoeuvres als gevolg van de risico's van
opspattend water en slijk.
3. Categorie D en subcategorie D1 :
voorschriften inzake rij- en rusttijden;
reglementaire voorschriften met betrekking tot de vervoerde personen;
beperking van het gezichtsveld, die voor de bestuurder en de medeweggebruikers
door de kenmerken van het voertuig wordt veroorzaakt;
invloed van de wind op de baan van het voertuig;
bij inhaalmanoeuvres te nemen voorzorgen wegens de risico's van opspattend
water en slijk.
B. Wijze van beoordeling
Maximum aantal punten : 40.
Minimum vereist om te slagen : 32.
Wanneer de kandidaat echter ten minste twee verkeerde antwoorden geeft op
vragen betreffende de zware overtredingen die zijn opgesomd in het koninklijk
besluit van 7 april 1976 tot aanwijzing van de zware overtredingen van het
algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, is hij niet geslaagd.
C. Wijze van verbetering
De Minister of zijn gemachtigde bepaalt de procedure tot verbetering van het
theoretische examen.
Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998
betreffende het rijbewijs.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Volksgezondheid,
M. COLLA
De Minister van Buitenlandse Zaken,
E. DE RYCKE
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
De Minister van Landsverdediging,
J.P. PONCELET
De Staatssecretaris voor Veiligheid,
J. PEETERS
Bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 13 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
PRAKTISCH EXAMEN : EXAMEN INZAKE RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG
I. Proef op een terrein buiten het verkeer
a) Plaats en hantering van de bedieningsorganen :
1. voorwielrem;
2. achterwielrem;
3. keuze van de versnellingen;
4. aan- en uitschakelaar van de motor;
5. gashandgreep;
6. geluidstoestel;
7. richtingaanwijzers;
8. schakelaar en verklikkerlichtjes voor de lichten (standlichten - dimlichten
- grootlichten);
9. zijdelingse steunvoet of centrale steunvoet naar keuze van de kandidaat;
10. ruitewissers;
11. gebruik van de tachograaf.
Categorie A3, A = 1 tot 9;
Categorieën A3 (met meer dan twee wielen), B en B+E = 6, 7, 8, 10;
Categorieën C, C+E, D en D+E en subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E = 6, 7, 8,
10, 11.
b) Manoeuvres :
1. rechts parkeren tussen twee voertuigen;
2. halve draai, links of rechts, binnen een beperkte ruimte;
3. links of rechts draaiend achteruit in een garage rijden en er vooruit
uitrijden in de andere richting draaiend;
4. in rechte lijn achteruit rijden;
5. links of rechts draaiend vooruit in een garage rijden en er achteruit
uitrijden in de andere richting draaiend;
6. achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
7. opstellen tegen stoep;
8. achteruitrijdend een bocht maken;
9. slalom;
10. plots remmen;
11. in lussen rijden;
12. over een smalle plank rijden met geringe snelheid;
13. koppeling, ontkoppeling van de aanhangwagen;
14. stapvoets rijden tussen twee evenwijdige lijnen over een afstand van 10
meter;
15. de motorfiets op de standaard plaatsen en parkeren; daarna de motorfiets
van de standaard halen, om met de motorfiets al lopend, zonder behulp van de
motor, een U-draai te maken.
Categorie A3 = de manoeuvres voorzien onder 9, 10, 11, 12;
Categorie A = de manoeuvres voorzien onder 9, 10, 11, 12, 14, 15;
Categorieën A3 (met meer dan twee wielen) en B = 1, 2, 4, 5;
Categorie C en subcategorie C1 = 1, 3, 4, 6;
Categorie D en subcategorie D1 = 1, 3, 4, 7;
Categorieën B+E, C+E en D+E en subcategorieën C1+E en D1+E = 4, 6, 7, 8, 13.
II. Proef op de openbare weg : alle categorieën van voertuigen
Beoordeling van het rijgedrag volgens de hierna vermelde rubrieken :
bediening van het voertuig en gebruik van de achteruitkijkspiegels en de
veiligheidsgordel;
plaats op de openbare weg;
bochten;
kruisen en inhalen;
richtingsveranderingen;
voorrang;
verkeerslichten en bevelen, verkeersborden en wegmarkeringen;
snelheid en verkeersinzicht;
starten op een helling;
het gedrag ten overstaan van andere weggebruikers en het voldoende afstand
houden tussen de voertuigen;
in acht nemen van de signalisatie met betrekking tot deze rubrieken;
gedrag ter voorkoming van ongevallen.
III. Wijze van beoordeling van het examen
Het examen bestaat uit twee proeven :
a) proef op een terrein buiten het verkeer.
De proef wordt stopgezet indien de kandidaat niet voldoende vertrouwd is met de
plaats en de hantering van de bedieningsorganen.
De manoeuvres worden beoordeeld met : « goed », « voorbehoud », « onvoldoende »
of « slecht ».
De kandidaat wordt uitgesteld indien :
- een manoeuvre wordt beoordeeld met « slecht »;
- twee manoeuvres worden beoordeeld met « onvoldoende »;
- een manoeuvre wordt beoordeeld met « onvoldoende » en twee met « voorbehoud
»;
- drie manoeuvres worden beoordeeld met « voorbehoud »;
b) proef op de openbare weg
Elk der rubrieken, vermeld onder II wordt beoordeeld met : « goed », «
voorbehoud », « onvoldoende » of « slecht ».
De kandidaat wordt uitgesteld indien :
- een rubriek beoordeeld wordt met « slecht »;
- twee rubrieken beoordeeld worden met « onvoldoende »;
- een rubriek beoordeeld wordt met « onvoldoende » en twee met « voorbehoud »;
- vier rubrieken beoordeeld worden met « voorbehoud »;
- rijfouten of gevaarlijk rijgedrag, de veiligheid van het examenvoertuig, de
passagiers of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.
Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998
betreffende het rijbewijs.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Volksgezondheid,
M. COLLA
De Minister van Buitenlandse Zaken,
E. DE RYCKE
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
De Minister van Landsverdediging,
J.P. PONCELET
De Staatssecretaris voor Veiligheid,
J. PEETERS
Bijlage 6 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
MINIMUMNORMEN EN ATTESTEN INZAKE DE LICHAMELIJKE EN GEESTELIJKE GESCHIKTHEID
VOOR HET BESTUREN VAN EEN MOTORVOERTUIG
I.Deze bijlage beschrijft de functionele stoornissen en aandoeningen die de
uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat
voor een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs of een leervergunning en de houder
van een rijbewijs, moeten voldoen
1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder :
1° « kandidaat » : de persoon die een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs of een
leervergunning aanvraagt, die om de verlenging van een rijbewijs verzoekt of de
houder van een rijbewijs van wie de lichamelijke of geestelijke toestand niet
meer in overeenstemming is met de in deze bijlage vermelde minimumnormen;
2° « kandidaat van groep 1 » : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het
besturen van voertuigen van de categorie A3, A, B of B+E;
3° « kandidaat van groep 2 » : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het
besturen van voertuigen van de categorie C, C+E, D of D+E, of van de
subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E en de bestuurders van voertuigen bedoeld in
artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs;
2. Om rijgeschikt te worden verklaard, dient de kandidaat aan de in deze
bijlage voorgeschreven minimumnormen te voldoen en vrij te zijn van elke in
deze bijlage opgenomen lichamelijke of geestelijke aandoening of afwijking, die
zijn functionele mogelijkheden zodanig beperkt dat hij een gevaar kan opleveren
voor de veiligheid bij het besturen van een motorvoertuig.
3. De rijgeschiktheid wordt bepaald na een grondig geneeskundig onderzoek
waarbij alle middelen, die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden.
De geneesheer houdt bij de beoordeling rekening met de categorie of
subcategorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden
waarin dit laatste zal worden gebruikt. Voor de kandidaten van groep 2, dient
hij speciaal rekening te houden met de bijzondere risico's en gevaren die
verband houden met het besturen van voertuigen van deze categorieën en de
subcategorieën en de mogelijke belemmering ervan door functiestoornissen of
aandoeningen.
II. Normen betreffende de fysieke en geestelijke geschiktheid
1. Neurologische aandoeningen
1.1. Normen voor de kandidaten van groep 1
1.1.1 Voor de kandidaten met een neurologische aandoening bepaalt de neuroloog
de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.
Indien de kandidaat een neurologische aandoening heeft die zich uit door een
verminderde functionele vaardigheid om veilig een motorvoertuig te besturen,
wordt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaald door de geneesheer
van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart
1998 betreffende het rijbewijs.
1.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening van het centraal of het
perifeer zenuwstelsel waardoor een acute stoornis in de hersenfuncties
veroorzaakt kan worden met een plotseling bewustzijnsverlies of een plotseling
onvermogen van de kandidaat tot gevolg, is niet rijgeschikt.
1.1.3. De kandidaat wiens functionele vaardigheden zijn aangetast door een
heelkundige ingreep, wegens een intracraniële aandoening, of die een
cerebrovasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het
optreden van de functiestoornis rijgeschikt worden verklaard.
1.1.4. De kandidaat met een evolutieve aandoening met invloed op de functionele
vaardigheden om veilig een motorvoertuig te besturen wordt aan een regelmatig
onderzoek onderworpen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal
vijf jaar bedragen tot de leeftijd van 50 jaar en maximaal drie jaar vanaf deze
leeftijd.
1.1.5. Bij de beoordeling van sensibele of motorische stoornissen of van
evenwichts- of coördinatiestoornissen veroorzaakt door een aandoening van het
centraal of het perifeer zenuwstelsel, wordt rekening gehouden met de functionele
gevolgen en de mogelijke progressie van de aandoening.
1.1.6. De kandidaat met een lichamelijke, geestelijke of cognitieve
ontwikkelingsstoornis of verworven stoornis, ook als die het gevolg is van een
verouderingsproces en die zich uit in een belangrijke afwijking in gedragingen,
een stoornis in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of die de
psychomotorische reacties van de kandidaat verstoort is niet rijgeschikt.
De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maanden
vrij is van genoemde stoornissen.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.
1.2. Normen voor de kandidaten van groep 2
De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij minstens een jaar
vrij is van belangrijke neurologische afwijkingen. Een verslag van een
neuroloog is vereist.
2. Geestelijke aandoeningen
2.1. Normen voor de kandidaten van groep 1
2.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een
psychiater voor het inwinnen van het psychiatrisch advies betreffende de
rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.
2.1.2. De kandidaat die een geestelijke aandoening heeft die een plotselinge
bewustzijnsstoornis, een dissociatieve of een acute stoornis van de
hersenfuncties kan veroorzaken, zich uitend in een belangrijke afwijking in het
gedrag, een plotseling functieverlies, stoornissen in het oordeels-,
aanpassings- of perceptievermogen of de psychomotorische reacties van de
kandidaat verstoren is niet rijgeschikt.
2.1.3. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes
maanden vrij is van de in 2.1.2. bedoelde stoornissen.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.
2.1.4. De kandidaat met schizofrenie kan rijgeschikt worden verklaard wanneer
hij tenminste twee jaar recidief vrij is, voldoende ziekte-inzicht heeft en de
defecttoestand van lichte aard is. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid
bedraagt maximaal drie jaar.
2.1.5. De kandidaat met waanstoornissen zonder onberekenbaar, agressief of
impulsief gedrag en wiens rijgedrag niet beïnvloed wordt door de medicatie, kan
rijgeschikt worden verklaard.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.
2.1.6. De kandidaat met een tijdelijke, belangrijke of een regelmatig
terugkerende stemmingsstoornis van het manische, het depressieve of het
gemengde type, is niet rijgeschikt. Indien de kandidaat onder regelmatig
geneeskundig toezicht staat, een volledig inzicht in zijn aandoening heeft en
minstens zes maand recidief vrij is, kan hij rijgeschikt worden verklaard. De
geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.
2.1.7. De kandidaat met persoonlijkheidsstoornissen is niet rijgeschikt indien
hij een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld vertoont dat het oordeelsvermogen
nadelig beïnvloedt.
2.2. Normen voor de kandidaten van groep 2
De kandidaat is in principe niet rijgeschikt. Uitzonderlijk kan de kandidaat op
voorlegging van een gunstig verslag van een psychiater rijgeschikt worden
verklaard.
3. <Epilepsie>
3.1. Normen voor de kandidaten van groep 1
3.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een
neuroloog voor het inwinnen van het advies betreffende de rijgeschiktheid en
geldigheidsduur ervan.
3.1.2. De kandidaat met <epilepsie> is niet rijgeschikt.
3.1.3. De kandidaat die sinds de leeftijd van 15 jaar en zonder enige
specifieke behandeling geen aanvallen van <epilepsie> meer vertoont, kan
rijgeschikt worden verklaard indien een uitgebreid neurologisch onderzoek niet
wijst op het bestaan van een cerebrale pathologie.
3.1.4. De kandidaat die geen aanvallen van <epilepsie> meer heeft vertoond
sinds een jaar, kan rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de
rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal een jaar. Indien de kandidaat in die
periode vrij van aanvallen is gebleven, kan de geldigheidsduur met maximaal
drie jaar worden verlengd.
Na een periode zonder aanvallen van vijf opeenvolgende jaren, kan de
geldigheidsduur van de rijgeschiktheid met vijf jaar worden verlengd. Is de
kandidaat na deze periode nog steeds aanvalsvrij, dan kan een
rijgeschiktheidsverklaring zonder geldigheidsbeperking worden afgeleverd.
3.1.5. De kandidaat kan na een eerste aanval van <epilepsie> en na een periode
zonder aanvallen van zes maanden rijgeschikt worden verklaard mits een
regelmatig geneeskundig toezicht én indien er in het elektro-encefalogram (EEG)
geen epileptiforme afwijkingen voorkomen.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Na deze
periode kan de geldigheidsduur met maximaal drie jaar en zes maanden worden
verlengd.
Na een periode zonder aanvallen van vijf opeenvolgende jaren, kan de
geldigheidsduur van de rijgeschiktheid verlengd worden met vijf jaar. Is de
kandidaat na deze periode nog steeds aanvalsvrij, dan kan een
rijgeschiktheidsverklaring zonder geldigheidsbeperking worden afgeleverd.
3.1.6. De kandidaat die een epileptische aanval vertoont ten gevolge van het
afbouwen, wijzigen van de dosering of het type van de anti - epileptica, kan
rijgeschikt worden verklaard drie maanden na de laatste aanval. De
geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan vervolgens verlengd worden
overeenkomstig de bepalingen voorgeschreven in punt 3.1.4.
3.1.7. De kandidaat die een éénmalige aanval van <epilepsie> heeft vertoond ten
gevolge van een verklarende en vermijdbare uitlokkende factor kan rijgeschikt
worden verklaard drie maanden na deze aanval. Het EEG dient vrij te zijn van
epileptiforme afwijkingen. Na een periode zonder aanvallen van een jaar kan de
geldigheidsduur van de rijgeschiktheid verlengd worden overeenkomstig de
bepalingen voorgeschreven in punt 3.1.4.
3.1.8. De kandidaat die aanvallen van <epilepsie> vertoont die geen
invloed hebben op het bewustzijn noch op de rijvaardigheid, en die in de
anamnese vrij is van andere <epilepsie>-aanvallen, kan rijgeschikt worden verklaard drie maanden
na het vaststellen van deze aanvallen.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan verlengd worden overeenkomstig de
bepalingen voorgeschreven in punt 3.1.4.
3.1.9. De kandidaat die gedurende een periode van twee jaar uitsluitend
aanvallen van <epilepsie> vertoonde tijdens de slaap, kan rijgeschikt worden
verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal
een jaar.
3.1.10. De verlenging van de geldigheidsduur van de rijgeschiktheid vermeld in
de punten 3.1.4. tot en met 3.1.9. gebeurt op voorwaarde dat de kandidaat onder
regelmatig geneeskundig toezicht staat, hij geen nieuwe aanvallen meer heeft
gehad, een uitgebreid neurologisch onderzoek tot een stabilisatie van de
toestand laat besluiten en de aanvrager voldoende inzicht heeft in zijn
aandoening en blijk geeft van een strikte therapietrouw.
3.2. Normen voor de kandidaten van groep 2
3.2.1. De kandidaat met <epilepsie> is niet rijgeschikt.
3.2.2. De kandidaat die aanvallen van <epilepsie> heeft vertoond in
zijn kinderjaren, maar die sedert de leeftijd van 15 jaar zonder enige
specifieke behandeling geen aanvallen meer vertoonde van welke vorm ook, kan
rijgeschikt worden verklaard indien een uitgebreid neurologisch onderzoek niet
wijst op het bestaan van een cerebrale pathologie.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid wordt beperkt tot een jaar en kan
gedurende de vijf volgende jaren worden verlengd met maximaal een jaar. Een
verslag van een neuroloog is vereist. De kandidaat dient te voldoen aan de
voorwaarden zoals gesteld onder punt 3.1.10.
Na deze periode is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44 van het
koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van toepassing.
3.2.3. De kandidaat die een éénmalige aanval van <epilepsie> met een aanwijsbare
oorzaak vertoond heeft of de kandidaat met posttraumatische <epilepsie>, kan rijgeschikt
worden verklaard indien hij twee jaar aanvalsvrij is, hij een uitgebreid
neurologisch onderzoek heeft ondergaan en zijn EEG geen epileptiforme
afwijkingen met de uitsluiting van een blijvende cerebrale pathologie vertoont.
Een gunstig verslag van de neuroloog is vereist.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid wordt beperkt tot een jaar en kan
gedurende de vijf volgende jaren worden verlengd met maximaal een jaar. De
kandidaat dient te voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in punt 3.1.10.
Na deze periode is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44 van het
koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van toepassing.
4. Pathologische somnolentie
4.1. Normen voor de kandidaten van groep 1
4.1.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten
gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is
niet rijgeschikt.
4.1.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze laatste naar een
neuroloog, voor het inwinnen van een neurologisch advies betreffende de
rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.
4.1.3. De kandidaat met een narcolepsie/cataplexiesyndroom, die onder
behandeling geen symptomen vertoont, kan rijgeschikt worden verklaard zes
maanden na het uitblijven van deze bewustzijnsstoornissen.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar.
4.1.4. De kandidaat met een slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard
een maand na het instellen van een succesvolle behandeling.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Is de
kandidaat, na deze periode, nog steeds vrij van de stoornissen of anomalieën,
dan kan een rijgeschiktheidsverklaring zonder beperking van de geldigheidsduur
worden afgeleverd.
4.2. Normen voor de kandidaten van groep 2
4.2.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten
gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is
niet rijgeschikt.
4.2.2. De kandidaat met een slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard
een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. Een gunstig verslag
van een neuroloog is vereist.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Is de
kandidaat na deze periode nog steeds vrij van de symptomen, dan is de
geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart
1998 betreffende het rijbewijs van toepassing.
5. Locomotorische aandoeningen
5.1. De kandidaat die verminderde functionele vaardigheden vertoont ten gevolge
van een aantasting van het muskulo-skeletaal systeem, een aandoening van het
centraal of perifeer zenuwstelsel of elke andere aandoening waardoor een
beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn
gedrag en zijn beoordelingsvermogen, die een invloed hebben op het veilig
besturen van een motorvoertuig, is niet rijgeschikt.
5.2. Normen voor de kandidaten van groep 1
5.2.1. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk
besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt de rijgeschiktheid
en de geldigheidsduur ervan.
5.2.2. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk
besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs kan voor het bepalen van de
rijgeschiktheid zelf geneeskundige onderzoeken uitvoeren of deze laten
uitvoeren door een ander geneesheer. Hij kan gebruik maken van alle middelen,
die de geneeskunde biedt en zich steunen op de resultaten van een praktische
rijtest met een motorvoertuig van de gewenste categorie of subcategorie.
De geneesheer houdt rekening met de categorie of subcategorie waarvoor het rijbewijs
wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt.
5.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat te voldoen aan alle in deze
bijlage vermelde voorwaarden voor de kandidaten van groep 1 alsmede aan de
eisen inzake kennis, vaardigheid en gedrag voor het besturen van een
motorvoertuig, toepasbaar op de categorieën en subcategorieën waarvoor hij een
rijbewijs aanvraagt of om de verlenging ervan verzoekt. De kandidaat dient, met
zijn aangepast voertuig, dezelfde prestaties te kunnen leveren als een valide
bestuurder met eenzelfde niet aangepast voertuig.
5.2.4. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk
besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt, in voorkomend
geval, de nodige aanpassingen, voorwaarden en beperkingen. Deze worden vermeld
op het attest van rijgeschiktheid.
« Aanpassingen » zijn de nodige verbouwingen aan en uitrustingen van een
motorvoertuig die vereist zijn om een vermindering van de functionele
vaardigheden te ondervangen zodat dat voertuig veilig kan worden bestuurd
overeenkomstig de reglementaire bepalingen.
De voorwaarden en beperkingen worden bepaald op basis van de lichamelijke en
geestelijke toestand van de kandidaat, rekening houdend met de risico's, omstandigheden
en gevaren, eigen aan het besturen van bepaalde voertuigen.
Deze voorwaarden en beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de
rijbewijscategorie of subcategorie, het type van voertuig, de
gebruiksvoorwaarden, het ogenblik van gebruik, de actieradius, de
geldigheidsduur, het gebruik van orthesen of prothesen.
5.3. Normen voor de kandidaten van groep 2
De kandidaat wordt, nadat door de geneesheer bedoeld in artikel 44, ¢¢ 1 en 4
vastgesteld werd dat op louter geneeskundige gronden de toestand van de
kandidaat in overeenstemming is met de minimumnormen, verwezen naar het
centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998
betreffende het rijbewijs. De geneesheer van dit centrum zal op basis van de in
punten 5.2.3. en 5.2.4. gestelde normen zijn besluiten opmaken en deze ter
beschikking stellen van de verwijzende geneesheer.
6. Aandoeningen van hart en bloedvaten
6.1. Normen voor de kandidaten van groep 1
6.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een
cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de
rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.
6.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd
risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotseling functieverlies,
is niet rijgeschikt.
6.1.3. De kandidaat, die lichte tot matige klachten vertoont ten gevolge van
chronisch hartfalen bij gewone of lichte fysieke inspanning (New York Hart
Association (NYHA) klasse 2), kransvatlijden, cardiomyopathie, een aangeboren
of verworven klepafwijking (al dan niet met een prothese), een aangeboren
gebrek van het hart of de grote vaten, kan rijgeschikt worden verklaard.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal vijf jaar.
6.2. Normen voor de kandidaten van groep 2
De kandidaat met klachten ten gevolge van chronisch hartfalen enkel bij gewone
fysieke inspanning (NYHA klasse 2), cardiomyopathie, aangeboren gebrek van het
hart of de grote vaten, aangeboren of verworven klepafwijking (al dan niet met
een klepprothese), een ischemische hartziekte ten gevolge van een
kransvatlijden, kan rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een
cardioloog is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt
maximaal drie jaar.
6.3. Ritme en geleiding
6.3.1. Normen voor de kandidaten van groep 1
6.3.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar
een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de
rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.
6.3.1.2. De kandidaat met ernstige niet gecorrigeerde en niet gecontroleerde
stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet
rijgeschikt.
6.3.1.3. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens
de maand die volgt op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de
pacemaker- electrode.
Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat door de behandelende
cardioloog onmiddellijk rijgeschikt worden bevonden.
Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat, die drager is van een pacemaker, het
behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur
van de rijgeschiktheid kan maximaal twee jaar bedragen.
6.3.1.4. De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet
rijgeschikt.
De kandidaat kan evenwel na een periode van minimaal een jaar, te rekenen vanaf
de datum van inplanting, rijgeschikt worden bevonden op basis van een recent
verslag, afgeleverd door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat de
ingreep heeft uitgevoerd.
Bij het vervangen van enkel de defibrillator kan de kandidaat op basis van een
recent verslag, afgeleverd door de behandelende cardioloog onmiddellijk
rijgeschikt worden verklaard.
Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat, die drager is van een defibrillator,
het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De
geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal twee jaar bedragen.
6.3.2. Normen voor de kandidaten van groep 2
6.3.2.1. De kandidaat met ernstige stoornissen van het hartritme of van de
atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.
6.3.2.2. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens
de drie maanden die volgen op de inplanting van de pacemaker of het vervangen
van de pacemaker-elektrode. Een verslag van een cardioloog is vereist.
Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat ten vroegste twee
weken na de ingreep rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een
cardioloog is vereist.
6.3.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat die drager is van een
ingeplante pacemaker het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te
volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal een jaar
bedragen. Een verslag van een cardioloog is vereist.
6.3.2.4. De kandidaat met een ingeplante defibrillator is niet rijgeschikt.
6.4. Bloeddruk
De systolische en diastolische bloeddruk worden beoordeeld in functie van de
invloed ervan op de rijgeschiktheid.Er moet eveneens rekening gehouden worden
met de invloed die het gebruik van bloeddrukverlagende middelen kan hebben op
het bewustzijn van de kandidaat.
6.5. Coronair stelsel en myocard
6.5.1. Normen voor de kandidaten van groep 1
6.5.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar
een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de
rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.
6.5.1.2. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste
emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De
rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de
klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid
bedraagt maximaal twee jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.
6.5.1.3. De kandidaat die één of meerdere myocardinfarcten heeft doorgemaakt is
niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend
met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de
kandidaat rijgeschikt worden verklaard.
6.5.2. Normen voor de kandidaten van groep 2
6.5.2.1. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste
emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De
rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de
klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid
bedraagt maximaal een jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.
6.5.2.2. De kandidaat met belangrijke beschadiging van het myocard, duidelijk
aangetoonde letsels van een vroeger myocardinfarct, duidelijk bewezen tekens
van coronair lijden en hartfalen is niet rijgeschikt.
6.5.2.3. Indien het evenwel gaat om één of meer beperkte infarcten, met behoud
van een goede hartfunctie en zonder ritmestoornissen, kan de houder van een
rijbewijs van groep 2 rijgeschikt worden verklaard. De
rijgeschiktheidsverklaring kan afgeleverd worden minimaal drie maanden na het
optreden van het laatste infarct. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid
bedraagt maximaal twee jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.
7. Diabetes mellitus
7.1. De kandidaat met diabetes mellitus waarbij door hypo- of hyperglycemie een
plotse bewustzijnsdaling kan optreden, is niet rijgeschikt.
7.2. De kandidaat met diabetes mellitus bij wie de aandoening gepaard gaat met
ernstige verwikkelingen ter hoogte van de ogen, het zenuwstelsel, het hart, of
de bloedvaten is niet rijgeschikt wanneer deze een veilige besturing van een
voertuig verhinderen of niet in overeenstemming zijn met de minimumnormen zoals
voorgeschreven in deze bijlage.
7.3. Normen voor de kandidaten van groep 1
7.3.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat met diabetes mellitus en die
behandeld wordt met een dieet of met bloedsuikerverlagende tabletten, bepaalt
de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan op diabetologisch vlak.
De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat behandeld met
insuline naar een endocrinoloog voor het inwinnen van een endocrinologisch
advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.
Wanneer de kandidaat onderhevig is aan de verwikkelingen bedoeld in punt 7.2.,
verwijst hij de kandidaat naar de desbetreffende geneesheer-specialist.
7.3.2. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet of
bloedsuikerverlagende tabletten die in een therapeutische dosis geen
hypoglycemieaanvallen kunnen veroorzaken, kan rijgeschikt worden verklaard
indien hij vrij is van de in punt 7.2. bedoelde verwikkelingen, een stabiele
diabetes heeft, onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, een volledig
inzicht heeft in zijn aandoening en blijk geeft van strikte therapietrouw.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal vijf jaar tot de
leeftijd van 50 jaar en drie jaar vanaf deze leeftijd.
7.3.3. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met insuline of
bloedsuikerverlagende tabletten die in een therapeutische dosis
hypoglycemieaanvallen kunnen veroorzaken, kan rijgeschikt worden verklaard
indien hij vrij is van de in 7.2. bedoelde verwikkelingen, een stabiele
diabetes heeft, geen bijzonder verhoogd risico op hypoglycemie heeft, onder
geregeld geneeskundig toezicht staat, een volledig inzicht heeft in zijn
aandoening, een goede diabetesopvoeding heeft gekregen en blijk geeft van
strikte therapietrouw.
Een verslag van een endocrinoloog is vereist.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal vijf jaar tot de
leeftijd van 50 jaar en drie jaar vanaf deze leeftijd.
7.4. Normen voor de kandidaten van groep 2
7.4.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet of
bloedsuikerverlagende tabletten die in een therapeutische dosis geen
hypoglycemieaanvallen kunnen veroorzaken, kan rijgeschikt worden verklaard. De
kandidaat dient vrij te zijn van de in punt 7.2. bedoelde verwikkelingen, een
stabiele diabetes te hebben, onder geregeld geneeskundig toezicht te staan, een
volledig inzicht te hebben in zijn aandoening en blijk te geven van een strikte
therapietrouw. Een verslag van een endocrinoloog is vereist.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximum drie jaar.
7.4.2. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met insuline of
bloedsuikerverlagende tabletten die in een therapeutische dosis
hypoglycemieaanvallen kunnen veroorzaken, is niet rijgeschikt.
Hij kan uitzonderlijk rijgeschikt worden verklaard, indien hij vrij is van de
in punt 7.2. bedoelde verwikkelingen, een stabiele diabetes heeft, geen
bijzonder verhoogd risico op hypoglycemie heeft, onder geregeld geneeskundig
toezicht staat, een volledig inzicht heeft in zijn aandoening, een goede diabetesopvoeding
heeft gekregen, regelmatig aan zelfcontrole van de glycemie doet, blijk geeft
van een strikte therapietrouw en een goede verkeerservaring kan voorleggen. Een
verslag van een endocrinoloog is vereist.
De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.
8. Aandoeningen van het gehoor en vestibulair systeem
8.1. De kandidaat die een aandoening van het vestibulair stelsel heeft, die een
plotselinge aanval van duizeligheid of een plotselinge evenwichtsstoornis kan
veroorzaken is niet rijgeschikt.
8.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat van groep 1, verwijst de
kandidaat naar een specialist Neus-, Keel- en Oorziekten voor het inwinnen van
een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.
8.3. Voor de kandidaat van groep 2 is een verslag van de specialist Neus-,
Keel- en Oorziekten vereist.
8.4. De kandidaat van groep 1 of 2 met hypoacusie of doofheid is rijgeschikt
indien dit niet gepaard gaat met ernstige vestibulaire stoornissen.
III. Normen betreffende de visuele functies
1. Algemene bepalingen
1.1. De kandidaat van groep 1 of 2 wendt zich tot een oogarts van zijn keuze
voor het op visueel vlak bepalen van de rijgeschiktheid en geldigheidsduur
ervan.
1.2. De kandidaat die een acute of een chronisch evolutieve aandoening van de
ogen of van de adnexa vertoont die de werking ervan zodanig stoort dat de
verkeersveiligheid in het gedrang komt is niet rijgeschikt.
1.3. Na het plotseling geheel of gedeeltelijk verlies van het gebruik van één
oog, na een ingreep die een invloed kan hebben op het zicht, na een
oogverlamming die aanleiding geeft tot diplopie in de primaire stand van de
blik is de kandidaat niet rijgeschikt.
Een oogarts bepaalt wanneer de kandidaat opnieuw rijgeschikt is.
1.4. Om aan de minimumnormen te voldoen mag de kandidaat met een pseudofakie
een bijkomende optische correctie (bril of contactlenzen) dragen. Intraoculaire
lenzen worden niet als corrigerende lenzen beschouwd en impliceren geen
rijongeschiktheid, tenzij zich problemen, zoals « dubbelbeelden », voordoen.
2. Centrale gezichtsscherpte van ver
2.1. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de
vereiste gezichtsscherpte te bereiken, moet deze correctie goed verdragen
worden. De correctie door brilleglazen mag het gezichtsveld in de horizontale
aslijn in geen geval op een significante wijze beperken.
2.2. Indien de oogarts het dragen van een optische correctie (een bril of
contactlenzen) nodig acht voor het veilig besturen van een motorvoertuig,
vermeldt hij dit op het door hem afgeleverde attest.
2.3. Het dragen van een optische correctie is verplicht wanneer de kandidaat,
zonder deze correctie, niet de vereiste minimum gezichtsscherpte vertoont ofwel
omdat de oogarts oordeelt dat een optische correctie noodzakelijk is om de
gezichtsscherpte te verbeteren of om te vermijden dat de oogspieren vermoeid
zouden geraken hetgeen de visuele functie van de kandidaat op belangrijke wijze
zou verstoren.
2.4. Normen voor de kandidaten van groep 1
2.4.1. De kandidaat moet, zo nodig met een optische correctie, een binoculaire
gezichtsscherpte van ten minste 5/10 hebben.
2.4.2. De kandidaat die het gezichtsvermogen van één oog volledig verloren
heeft of die slechts één oog gebruikt, moet, zo nodig met een optische
correctie, een gezichtsscherpte van ten minste 6/10 hebben.
2.5. Normen voor de kandidaten van groep 2
De kandidaat dient, zo nodig met een optische correctie, te beschikken over een
gezichtsscherpte van ten minste 8/10 voor het beste oog en 5/10 voor het minder
goede oog. Indien de waarden 8/10 en 5/10 worden bereikt met een optische
correctie dient de ongecorrigeerde gezichtsscherpte voor elk van beide ogen
niet minder dan 1/20 te bedragen of dient de correctie van de minimale
gezichtsscherpte (8/10 en 5/10) te zijn verkregen door brilglazen die niet
sterker mogen zijn dan plus of min 8 dioptrieën. Contactlenzen zijn tot elke
sterkte toegestaan, mits zij goed worden verdragen.
3. Het gezichtsveld
3.1. Het gezichtsveld mag geen defect of vernauwing vertonen.
3.2. Het meten van het gezichtsveld gebeurt door middel van een intens object
(object V/4 van de perimeter van Goldmann of van een gelijkwaardig object) en
wel voor elk oog afzonderlijk. Voor de kandidaat met een strabismus gebeurt het
meten van beide ogen samen. Indien de kandidaat verplicht is een optische
correktie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bekomen, gebeurt het
meten van het gezichtsveld met deze optische correctie.
3.3. Normen voor de kandidaten van groep 1
3.3.1. In de horizontale aslijn dient het binoculaire gezichtsveld een
amplitudo van ten minste 120° te hebben.
3.3.2. De kandidaat die het gezichtsvermogen van één oog verloren heeft of die
slechts één oog gebruikt, moet in de horizontale aslijn een gezichtsveld met
een amplitude van ten minste 120° hebben.
3.3.3. Uitzonderlijk kan, op grond van een gunstig advies van de oogarts, de
kandidaat met een horizontaal gezichtsveld kleiner dan 120° of met belangrijke
afwijkingen in de andere aslijnen, overeenkomstig de bepalingen van punt
II.5.2.2. na een onderzoek rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer van
het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998
betreffende het rijbewijs.
3.4. Normen voor de kandidaten van groep 2
3.4.1. In de horizontale as (0°-180°) dient het binoculaire gezichtsveld een
amplitude te hebben van ten minste 140°, in de vertikale as (90°-270°) van ten
minste 60° en in de twee intermediaire assen (45°-225° en 135°-315°) van ten
minste 100°.
3.4.2. Heeft het minder goede oog een gecorrigeerde gezichtsscherpte van minder
dan 8/10 dan dient dit oog een gezichtsveld te hebben van ten minste 80°
temporaal en 60° nasaal in de horizontale aslijn.
4. Kleurzin
Voor alle categorieën en subcategorieën : geen eisen
5. Zicht bij schemerlicht
Om rijgeschikt te zijn moet de kandidaat na vijf minuten aanpassing aan de
duisternis een gezichtsscherpte vertonen van 2/10, eventueel met een optische
correctie. De gezichtsscherpte wordt gemeten voor beide ogen samen aan de hand
van een schaal van optotypen, zwarte letters op witte grond, belicht met één
Lux, geplaatst op een afstand van vijf meter van de kandidaat.
Bij twijfel zal nader onderzoek met een adaptometer plaatsvinden. De maximaal
toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.
IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en
geneesmiddelen
1. Psychotrope stoffen en geneesmiddelen
1.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.
1.2. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is of die stoffen
overmatig gebruikt zonder daaraan verslaafd te zijn, is niet rijgeschikt.
1.3. De kandidaat die regelmatig, in welke vorm dan ook, psychotrope stoffen
gebruikt die een nadelige invloed op de rijgeschiktheid kunnen hebben of die
dusdanige hoeveelheden gebruikt dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt
beïnvloed is niet rijgeschikt.
Hetzelfde geldt bij gebruik van alle andere geneesmiddelen of
geneesmiddelencombinaties die de waarneming, de stemming, de aandacht, de
psychomotoriek en het oordeelsvermogen ongunstig beïnvloeden.
1.4. De geneesheer gaat bij het voorschrijven van geneesmiddelen na welke de
invloed is op het rijgedrag van elk geneesmiddel afzonderlijk, in combinatie
met andere geneesmiddelen of in combinatie met alcohol. De geneesheer licht
zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor het rijgedrag.
1.5. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is geweest of er
overmatig gebruik van heeft gemaakt, kan evenwel na een periode van bewezen
onthouding van minstens zes maanden rijgeschikt worden verklaard. De
geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.
2. Alcohol
2.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.
2.2. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is of zich niet kan onthouden van
alcoholgebruik wanneer hij een motorvoertuig bestuurt, is niet rijgeschikt.
2.3. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is geweest, kan evenwel na een
periode van bewezen onthouding van minstens zes maanden rijgeschikt worden
verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal
drie jaar.
V. Normen betreffende nier- en leveraandoeningen
1. Normen voor de kandidaten van groep 1
1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een internist
voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en
geldigheidsduur ervan.
1.2. De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie
lijdt, kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig
toezicht. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal
twee jaar.
2. Normen voor de kandidaten van groep 2
De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt
kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. Een
verslag van een internist is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid
is beperkt tot maximaal een jaar.
VI. Implantaten
De kandidaat met een orgaantransplantatie of met een artificieel implantaat met
een mogelijke weerslag op de rijgeschiktheid, kan evenwel rijgeschikt worden
verklaard door de geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het
koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, mits een
verslag van de behandelende geneesheer-specialist en een regelmatig
geneeskundig toezicht.
VII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Bijlage 7 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
Geharmoniseerde communautaire codes.
Bestuurder (medische oorzaken)
01. Correctie/bescherming van het gezichtsvermogen.
01.01 Bril;
01.02 Contactlenzen;
01.03 Beschermend glas;
01.04 Ondoorschijnend glas;
01.05 Ooglap;
01.06 Bril of contactlenzen.
02. Gehoorprothese.
02.01 Gehoorprothese één oor;
02.02 Gehoorprothese beide oren.
03. Prothese/orthese aan de ledematen.
03.01 Prothese/orthese aan
arm;
03.02 Prothese/orthese aan been.
04. Op vertoon van een geldig medisch attest.
05. Beperkt gebruik om gezondheidsredenen.
05.01 Beperkt tot verkeersdeelname van 1 uur na zonsopgang tot 1 uur voor
zonsondergang;
05.02 Beperkt tot verkeersdeelname binnen een straal van het gegeven aantal km
rond de woonplaats of alleen in de aangegeven plaats-/landstreek;
05.03 Beperkt tot het besturen zonder passagiers;
05.04 Beperkt tot het rijden met een snelheid van niet meer dan het aangegeven
aantal km per uur (km/h);
05.05 Beperkt tot het besturen met een begeleider;
05.06 Beperkt tot het besturen zonder aanhangwagen;
05.07 Niet geldig op autosnelwegen.
Aanpassingen/eisen aan het voertuig.
10. Aangepaste versnellingsbak.
10.01 Handschakeling;
10.02 Automatische schakeling;
10.03 Electronisch gestuurde schakeling;
10.04 Aangepaste keuze handel;
10.05 Zonder hulpversnelling.
15. Aangepaste koppeling.
15.01 Aangepast koppelingspedaal;
15.02 Handkoppeling;
15.03 Automatische koppeling;
15.04 Koppelingspedaal uitgenomen/opgeklapt.
20. Aangepast remsysteem.
20.01 Aangepast rempedaal;
20.02 Verbreed rempedaal;
20.03 Rempedaal geschikt voor bediening met de linkervoet;
20.04 Remslof;
20.05 Remkantelpedaal;
20.06 Handbedrijfsrem;
20.07 Maximale bedieningskracht bedrijfsrem... N;
20.08 Met hulprem geïntegreerd in bedrijfsrem, max bedieningskracht... N;
20.09 Aangepaste parkeerrem;
20.10 Parkeerrem met electrische bediening;
20.11 (Aangepaste) parkeerrem met voetbediening;
20.12 Uitgenomen/opgeklapt rempedaal;
20.13 Knierem.
25. Aangepast gasregelingsysteem.
25.01 Aangepast gaspedaal;
25.02 Gasslof;
25.03 Gaskantelpedaal;
25.04 Handgas;
25.05 Kniegas;
25.06 Servo gas;
25.07 Gaspedaal links van rempedaal;
25.08 Gaspedaal links;
25.09 Uitgenomen/opgeklapt gaspedaal.
30. Aangepaste/gecombineerde gas- en rem regelingsystemen.
30.01 Met parallelpedalen;
30.02 Met pedalen op (nagenoeg) gelijke hoogte;
30.03 Gas/remschuif;
30.04 Gas/remschuif met orthese;
30.05 Uitgenomen/opgeklapt(e) gas- en rempedaal;
30.06 Met vloerverhoging;
30.07 Met afscherming... rempedaal;
30.08 Met afscherming voor prothese... rempedaal;
30.09 Met afscherming voor gas- en rempedaal;
30.10 Met hiel/beensteun.
35. Aangepaste bediening van de verplichte inrichtingscomponenten (d.i.
verlichting, ruitenwisser/ruitensproeier, geluidstoestel, richtingaanwijzers,
mistlichten,....).
35.01 Schakelaars bedienbaar zonder dat besturing en bediening van het voertuig
nadelig kan worden beïnvloed;
35.02 Schakelaars bedienbaar zonder het stuurwiel/hulpstuk (knop, gaffel, enz.)
los te laten;
35.03 Schakelaars bedienbaar zonder het stuurwiel/hulpstuk (knop, gaffel, enz.)
los te laten met de rechterhand;
35.04 Schakelaars bedienbaar zonder het stuurwiel/hulpstuk (knop, gaffel, enz.)
los te laten met de linkerhand;
35.05 Schakelaars bedienbaar zonder het stuurwiel/hulpstuk (knop, gaffel, enz.)
en de gecombineerde gas/rem bediening los te laten.
40. Aangepaste stuurinrichting.
40.01 Standaard stuurbekrachtiging;
40.02 Versterkte stuurbekrachtiging;
40.03 Noodstuurinrichting;
40.04 Verlengde stuurkolom;
40.05 Aangepast stuurwiel (met vergrote/verdikte sectie van de stuuromtrek,
stuurwiel met verkleinde diameter, enz.);
40.06 Kantelbaar stuurwiel;
40.07 Vertikaal stuurwiel;
40.08 Horizontaal stuurwiel;
40.09 Voetenstuur;
40.10 Aangepaste stuurinrichting (joystick, enz.);
40.11 Stuurknop;
40.12 Handspalk;
40.13 Polsspalk.
42. Aangepaste achteruitkijkspiegel(s).
42.01 Rechterbuitenspiegel;
42.02 Buitenspiegel op voorspatbord;
42.03 Bijkomende binnenspiegel waarmede het verkeer kan waargenomen van...;
42.04 Panoramische binnenspiegel;
42.05 Dode-hoek-spiegel;
42.06 Electrisch verstelbare buitenspiegel.
43. Aangepaste bestuurderszetel.
43.01 Bestuurderszetel op goede kijkhoogte en normale afstand van stuurwiel en
pedalen;
43.02 Bestuurderszetel aangepast aan lichaamsvorm;
43.03 Bestuurderszetel met zijdelingse steun voor goede zitstabiliteit;
43.04 Bestuurderszetel met armsteun;
43.05 Verlengde slede bestuurderszetel;
43.06 Aangepaste veiligheidsgordel;
43.07 Veiligheidsgordel type harnas.
44. Aanpassingen van de motorfiets.
44.01 Alleen met zijspanwagen;
44.02 Aangepaste voorwielrem;
44.03 Aangepaste achterwielrem;
44.04 Aangepaste gasregeling;
44.05 Aangepaste handschakeling en handkoppeling;
44.06 Achteruitkijkspiegels;
44.07 Aangepaste bedieningsschakelaars;
44.08 Zadelhoogte die toelaat dat de bestuurder in zitpositie beide voorvoeten
gelijktijdig op de grond kan plaatsen.
50. Alleen met het motorvoertuig met het chassisnummer.............
51. Alleen met het motorvoertuig met nummerplaat |PO|PO
55. Gecombineerde aanpassingen van het motorvoertuig.
Niet functioneel linker onderste lidmaat.
55.01 : 15.03 + 30.07 + 90.01;
55.02 : 15.03 + 30.08 + 90.01;
55.03 : 15.03 + 15.04;
55.04 : 15.03 + 15.04 + 30.07 + 90.01;
55.05 : 15.03 + 15.04 + 30.08 + 90.01.
Minder functioneel rechter onderste lidmaat.
55.10 : 15.03 + 20.03;
55.11 : 15.03 + 25.09 + 25.07;
55.12 : 15.03 + 25.09 + 25.07 + 30.07 + 90.02;
55.13 : 15.03 + 25.09 + 25.07 + 30.08 + 90.02;
55.14 : 15.03 + 20.03 + 15.04;
55.15 : 15.03 + 25.09 + 25.07 + 15.04;
55.16 : 15.03 + 25.09 + 25.07 + 15.04 + 30.07 + 90.02;
55.17 : 15.03 + 25.09 + 25.07 + 15.04 + 30.08 + 90.02;
55.18 : 20.06 + 20.12.
Minder functionele onderste ledematen (coördinatiestoornis, amputaties aan een
of beide benen, enz.).
55.20 : 15.03 + 20.04 + 90.03 + 25.05 + 90.03 + 30.05;
55.21 : 15.03 + 20.04 + 90.04 + 25.05 + 90.04 + 30.05;
55.22 : 15.03 + 20.06 + 20.12;
55.23 : 15.03 + 20.06 + 25.05 + 90.03 + 30.05;
55.24 : 15.03 + 20.06 + 25.05 + 90.04 + 30.05.
Niet functionele onderste ledematen (amputatie, verlammingen, gestoorde
zitbalans, enz.).
55.30 : 15.03 + 20.06 + 25.04 + 30.05;
55.31 : 10.02 + 20.06 + 25.04 + 30.05;
55.32 : 10.02 + 20.06 + 25.04 + 30.09;
55.33 : 10.02 + 20.06 + 25.04 + 30.05 + 40.01 + 20.07 + 20.08;
55.34 : 10.02 + 20.06 + 25.04 + 30.09 +40.01 + 20.07 + 20.08;
55.35 : 10.02 + 20.06 + 25.04 + 30.05 + 40.01 + 50.03 + 20.07 + 20.08;
55.36 : 10.02 + 20.06 + 25.04 + 30.09 + 40.01 + 50.03 + 20.07 + 20.08.
Niet functionele rechter bovenste lidmaat.
55.40 : 10.02 + 40.11 + 90.03 + 35.02 + 20.08;
55.41 : 10.02 + 35.02 + 20.08;
55.42 : 10.02 + 40.01 + 35.02 + 20.08;
55.43 : 10.02 + 40.11 + 90.03 + 40.01 + 35.02 + 20.08.
Niet functionele linker bovenste lidmaat.
55.50 : 10.02 + 35.02 + 20.08;
55.51 : 10.02 + 40.11 + 90.04 + 35.02 + 20.08;
55.52 : 10.02 + 40.01 + 35.02 + 20.08;
55.53 : 10.02 + 40.11 + 90.04 + 40.01 + 35.02 + 20.08.
Krachtsvermindering bovenste ledematen.
55.60 : 10.02 + 40.01 + 20.08;
55.61 : 10.02 + 40.02 + 40.03 + 20.08.
Niet functionele bovenste ledematen.
55.70 : 40.09 + 60.
Krachtsvermindering onderste en bovenste ledematen.
56.01 : 10.02 + 40.01 + 20.07 + 20.08;
56.02 : 10.02 + 40.02 + 40.03 + 20.07 + 20.08;
56.03 : 10.02 + 40.01 + 20.05 + 90.04 + 25.08 + 30.05 + 20.07 + 20.08;
56.04 : 10.02 + 40.02 + 40.03 + 20.05 + 90.04 + 25.08 + 30.05 + 20.07 + 20.08;
56.05 : 10.02 + 40.01 + 20.05 + 90.03 + 20.12 + 20.07 + 20.08;
56.06 : 10.02 + 40.02 + 40.03 + 20.05 + 90.03 + 20.12 + 20.07 + 20.08;
56.07 : 10.02 + 40.08 + 40.02 + 40.03 + 20.05 + 90.04 + 25.08 + 30.05 + 20.07 +
20.08;
56.08 : 10.02 + 40.08 + 40.02 + 40.03 + 20.05 + 90.03 + 20.12 + 20.07 + 20.08.
Halfzijdige verlamming links.
56.10 : 10.02 + 35.02 + 20.08;
56.11 : 10.02 + 35.02 + 20.08 + 30.07 + 90.01;
56.12 : 10.02 + 40.11 + 90.04 + 35.02 + 20.08;
56.13 : 10.02 + 40.11 + 90.04 + 35.02 + 20.08 + 30.07 + 90.01;
56.14 : 10.02 + 40.01 + 35.02 + 20.08;
56.15 : 10.02 + 40.01 + 35.02 + 20.08 + 30.07 + 90.01;
56.16 : 10.02 + 40.01 + 40.11 + 90.05 + 35.02 + 20.08;
56.17 : 10.02 + 40.01 + 40.11 + 90.04 + 35.02 + 20.08 + 30.07 + 90.01.
Halfzijdige verlamming rechts.
56.20 : 10.02 + 25.07 + 25.09 + 35.02 + 20.08;
56.21 : 10.02 + 25.07 + 25.09 + 35.02 + 20.08 + 30.07 + 90.02;
56.22 : 10.02 + 25.07 + 25.09 + 40.11 + 90.03 + 35.02 + 20.08;
56.23 : 10.02 + 25.07 + 25.09 + 40.11 + 90.03 + 35.02 + 20.08 + 30.07 + 90.02;
56.24 : 10.02 + 25.07 + 25.09 + 40.01 + 35.02 + 20.08;
56.25 : 10.02 + 25.07 + 25.09 + 40.01 + 35.02 + 20.08 + 30.07 + 90.02;
56.26 : 10.02 + 25.07 + 25.09 + 40.01 + 40.11 + 90.03 + 35.02 + 20.08;
56.27 : 10.02 + 25.07 + 25.09 + 40.01 + 40.11 + 90.03 + 35.02 + 20.08 + 30.07 +
90.02.
Hoge dwarslaesie (C5 tot C7).
56.30 : 10.02 + 10.04 + 30.03 + 90.03 + 25.06 + 30.05 + 40.02 + 40.03 + 40.12 +
90.04 + 20.07 + 20.08 + 20.10 + 35.02 + 50.05 + 45.06 + 90.03 + 90.04;
56.31 : 10.02 + 10.03 + 30.03 + 90.03 + 25.06 + 30.05 + 40.02 + 40.03 + 40.12
+90.04 + 20.07 + 20.08 + 20.10 + 35.02 + 50.05 + 45.06 + 90.03 + 90.04;
56.32 : 10.02 + 10.04 + 30.03 + 90.03 + 25.06 + 30.05 + 40.02 + 40.03 + 40.13 +
90.04 + 20.07 + 20.08 + 20.10 + 35.02 + 50.05 + 45.06 + 90.03 + 90.04;
56.33 : 10.02 + 10.03 + 30.03 + 90.03 + 25.06 + 30.05 + 40.02 + 40.03 + 40.13 +
90.04 + 20.07 + 20.08 + 20.10 + 35.02 + 50.05 + 45.06 + 90.03 + 90.04;
56.34 : 10.02 + 10.04 + 30.03 + 90.04 + 25.06 + 30.05 + 40.02 + 40.03 + 40.12 +
90.03 + 20.07 + 20.08 + 20.10 + 35.02 + 50.05 + 45.06 + 90.03 + 90.04;
56.35 : 10.02 + 10.03 + 30.03 + 90.04 + 25.06 + 30.05 + 40.02 + 40.03 + 40.12 +
90.03 + 20.07 + 20.08 + 20.10 + 35.02 + 50.05 + 45.06 + 90.03 + 90.04;
56.36 : 10.02 + 10.04 + 30.03 + 90.04 + 25.06 + 30.05 + 40.02 + 40.03 + 40.13 +
90.03 + 20.07 + 20.08 + 20.10 + 35.02 + 50.05 + 45.06 + 90.03 + 90.04;
56.37 : 10.02 + 10.03 + 30.03 + 90.04 + 25.06 + 30.05 + 40.02 + 40.03 + 40.13 +
90.03 + 20.07 + 20.08 + 20.10 + 35.02 + 50.05 + 45.06 + 90.03 + 90.04.
Kleine lichaamslengte.
56.40 : 10.02 + 10.04 + 20.09 + 30.01 + 40.01 + 40.05 + 50.01 + 30.06;
56.41 : 10.02 + 10.04 + 20.07 + 20.08 + 20.09 + 30.01 + 40.01 + 40.05 + 45.01 +
50.01 + 50.02 + 50.06 + 30.06.
Andere combinaties.
56.50 : 15.04 + 15.02;
56.51 : 10.02 + 30.09 + 90.01;
56.52 : 15.04 + 15.02 + 30.09;
56.53 : 15.01 + 90.02 + 25.07;
56.54 : 15.01 + 20.06 + 25.04 + 30.05 + 35.05 + 40.01;
56.55 : 15.01 + 20.07;
56.56 : 15.01 + 90.04 + 25.07 + 20.07;
56.57 : 35.02 + 40.01 + 40.11 + 20.09 + 10.04;
56.58 : 35.02 + 40.01 + 40.11;
56.59 : 15.01 + 35.02 + 20.08.
Administratieve vermeldingen.
70. Belgisch rijbewijs verkregen door omwisseling van rijbewijs nr... uit...
(het land aangegeven door middel van de landencode).
71. Vervangend rijbewijs (duplicaat) voor rijbewijs nr... afgeleverd door...
(het land aangegeven door middel van de landencode).
72. Alleen motorvoertuigen van de categorie A met een cylinderinhoud van niet
meer dan 125 cc en een vermogen van niet meer dan 11 kW.
73. Alleen driewieler of vierwieler met motor van de categorie B waarvan de
maximale toegelaten massa niet meer bedraagt dan 550 kg.
74. Alleen motorvoertuigen van de categorie C waarvan de maximale toegelaten
massa niet meer bedraagt dan 7.500 kg.
75. Alleen motorvoertuigen van de categorie D ingericht voor het vervoer van
niet meer dan 16 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen.
76. Alleen motorvoertuigen van de categorie C, waarvan de maximale toegelaten
massa niet meer bedraagt dan 7.500 kg, met een aanhangwagen waarvan de maximale
toegelaten massa meer bedraagt dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa
van het aldus gevormde samenstel niet meer bedraagt dan 12.000 kg en de
maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende
voertuig niet overschrijdt.
77. Alleen motorvoertuigen van de categorie D, ingericht voor het vervoer van
niet meer dan 16 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, met een
aanhangwagen waarvan de maximale toegelaten massa meer bedraagt dan 750 kg,
mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel niet meer
bedraagt dan 12.000 kg en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de
ledige massa van het trekkend voertuig niet overschrijdt, en de aanhangwagen
niet wordt gebruikt voor het vervoer van personen.
78. Alleen motorvoertuigen met automatische versnellingsbak.
79. Alleen motorvoertuigen die voldoen aan de op het rijbewijs aangegeven
beperkingen (aangegeven maximale toegelaten massa/ingericht voor het vervoer
van niet meer dan... personen, de bestuurder daaronder niet begrepen/andere
aangegeven specificaties).
90. Bijkomstige codes.
90.01 : links van;
90.02 : rechts van;
90.03 : links;
90.04 : rechts;
90.05 : hand;
90.06 : voet;
90.07 : bedienbaar.
Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998
betreffende het rijbewijs.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Volksgezondheid,
M. COLLA
De Minister van Buitenlandse Zaken,
E. DE RYCKE
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
De Minister van Landsverdediging,
J.P. PONCELET
De Staatssecretaris voor Veiligheid,
J. PEETERS
Bijlage 8 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Bijlage 9 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Bijlage 10 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Bijlage 11 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het
rijbewijs
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Publicatie : 1998-04-30